ECLI:NL:CRVB:2009:BH1802
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering ondanks motiveringsgebrek
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering per 6 maart 2006 in te trekken wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Het UWV herzag dit besluit en stelde de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 15-25%. De rechtbank Arnhem vernietigde dit herzieningsbesluit omdat de arbeidskundige motivering pas na het besluit was overgelegd, waardoor het motiveringsbeginsel was geschonden.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn psychische en lichamelijke klachten onvoldoende waren meegenomen, met name zijn vermoeidheidsklachten en de passendheid van de functies waarop de schatting was gebaseerd. Tevens verzocht hij om benoeming van een deskundige neurologie.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de rechtbank de juiste overwegingen had gemaakt en dat er geen aanleiding was om het verzoek tot benoeming van een deskundige in te willigen. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank, waarmee het hoger beroep faalde.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vernietiging van het bestreden besluit en wijst het hoger beroep af.