ECLI:NL:CRVB:2009:BH1805

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 januari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-2707 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om haar WAO-uitkering per 21 november 2005 in te trekken wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. De rechtbank Arnhem verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.

In hoger beroep voerde appellante aan dat zij geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft en dat haar beperkingen zijn onderschat. Zij overhandigde aanvullende medische stukken van haar behandelend radioloog, Cesar-therapeute en huisarts en verzocht om benoeming van een deskundige. Tevens stelde zij vraagtekens bij de status van de verzekeringsarts die het onderzoek verrichtte.

De Raad oordeelde dat het onderzoek naar haar beperkingen zorgvuldig was verricht en dat de bevindingen correct waren vertaald in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). De aanvullende medische stukken gaven geen aanleiding tot een andere beoordeling. Het UWV had bovendien voldoende aannemelijk gemaakt dat de betrokken arts een geregistreerd verzekeringsarts was. Daarom werd het verzoek tot benoeming van een deskundige afgewezen.

De Raad concludeerde dat appellante de functies die aan het besluit ten grondslag liggen, kan vervullen en dat het hoger beroep geen doel treft. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het bezwaar ongegrond verklaard.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

07/2707 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 10 april 2007, 06/1358 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 23 januari 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2008. Appellante noch haar gemachtigde is verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. W.J. Belder.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 20 september 2005 heeft het Uwv de aan appellante toegekende WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%, per 21 november 2005 (de datum in geding) ingetrokken omdat de mate van arbeidsongeschiktheid per die datum minder dan 15% bedraagt.
1.2. Bij besluit van 25 januari 2006 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 20 september 2005 ongegrond verklaard.
1.3. De rechtbank Arnhem heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
2. In hoger beroep heeft appellante de gronden van haar beroep, waarin zij onder meer aangegeven heeft dat zij geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft, dat haar beperkingen zijn onderschat en dat er geen rekening is gehouden met de medische informatie in het dossier, herhaald. Daarnaast heeft zij aangevoerd dat het primaire besluit is gebaseerd op de bevindingen van M.T.C.M. van der Wielen (arts) en dat onduidelijk is of deze arts een verzekeringsarts is. Voorts heeft appellante een schrijven van de haar behandelend radioloog H. Wissink d.d. 3 november 2006, de haar behandelend Cesar-therapeute M.L.M. te Woerd d.d. 1 november 2007 alsmede een brief van haar huisarts B.P.A. Thoonen van 20 december 2005 overgelegd. Ten slotte verzoekt appellante de Raad een deskundige te benoemen.
3.1. De Raad overweegt als volgt.
3.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat er geen reden is om aan te nemen dat appellante geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft of dat haar beperkingen zijn onderschat. De Raad overweegt hiertoe dat het onderzoek naar de beperkingen van appellante zorgvuldig is verricht, dat over de bevindingen uit het onderzoek uitgebreid is gerapporteerd en dat die bevindingen op juiste wijze zijn vertaald in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Uit de rapporten van zenuwarts dr. H.L.S.M. Busard, patholoog F.J.W ten Kate en de overige zich in het dossier bevindende medische stukken is niet af te leiden dat appellante meer of anders beperkt is dan door het Uwv is aangenomen. Datzelfde geldt ook voor de in hoger beroep ingebrachte stukken van de radioloog, de Cesar-therapeute en de huisarts.
3.3. De Raad overweegt voorts dat het Uwv genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat M.T.C.M. van der Wielen op de datum van het onderzoek een geregistreerd verzekeringsarts was.
3.4. Nu de Raad van oordeel is dat de medische component van de schatting juist is, ziet de Raad geen aanleiding het verzoek van appellante om een deskundige te benoemen in te willigen.
4. Nu voorts niet is gebleken dat - uitgaande van de juistheid van de FML - appellante de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde functies niet zou kunnen vervullen, treft het hoger beroep geen doel, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door G. van der Wiel als voorzitter. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier, uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2009.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) M.D.F. de Moor.
CVG