ECLI:NL:CRVB:2009:BH1817

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 januari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-5806 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T. Hoogenboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens ontbreken procesbelang bij WAO-uitkering

Appellante stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Arnhem waarin haar beroep niet-ontvankelijk werd verklaard wegens gebrek aan procesbelang. Het geschil betrof de intrekking van haar WAO-uitkering per 19 december 2005 door het UWV en de latere herroeping van dat besluit na bezwaar in december 2007.

De rechtbank oordeelde dat met de herroeping het oorspronkelijke recht op WAO-uitkering van 80 tot 100% van rechtswege was herleefd en dat het UWV geen nieuw materieel besluit hoefde te nemen. Appellante had daarmee feitelijk het maximaal haalbare resultaat bereikt.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en benadrukt dat voor een oordeel in hoger beroep sprake moet zijn van een direct procesbelang. Aangezien appellante reeds uitsluitsel had gekregen dat zij arbeidsongeschikt bleef, ontbrak het aan een specifiek belang bij verdere beoordeling. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

08/5806 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 5 september 2008, 08/413 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 28 januari 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.T. Meijhuis, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Aan de aangevallen uitspraak ontleent de Raad de volgende voor de beoordeling van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.2. Bij besluit van 18 oktober 2005 heeft het Uwv appellantes uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, per 19 december 2005 ingetrokken. Bij besluit van 17 december 2007, hierna: het bestreden besluit, heeft het Uwv het tegen het besluit van 18 oktober 2005 door appellante gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 18 oktober 2005 herroepen.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard, op de grond dat appellante geen belang meer heeft bij een beoordeling van haar beroep. De rechtbank heeft als haar oordeel uitgesproken dat met het nemen van het bestreden besluit het oorspronkelijke recht van appellante op WAO-uitkering van rechtswege is herleefd en dat het Uwv, anders dan appellante veronderstelt, niet was gehouden daarover een nieuw (materieel) besluit te nemen.
3.1. De Raad overweegt als volgt.
3.2. Volgens vaste jurisprudentie is voor het verkrijgen van een oordeel in (hoger) beroep vereist dat kan worden gewezen op enig direct tot de rechtsstrijd tussen partijen te herleiden (proces)belang. Er is pas sprake van voldoende (proces)belang indien het resultaat dat met het (hoger) beroep wordt nagestreefd ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor de indiener feitelijke betekenis kan hebben.
3.3. Wat er ook zij van appellantes stelling dat het bestreden besluit haar onvoldoende zekerheid bood omtrent haar recht op WAO-uitkering per 19 december 2005, appellante heeft erkend dat zij daarover wél uitsluitsel heeft verkregen bij gelegenheid van het in eerste aanleg uitgebrachte verweerschrift. Dit geschrift stelt buiten twijfel dat appellante per 19 december 2005 onveranderd voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO wordt beschouwd. Gegeven het feit dat appellante het in de onderhavige procedure maximaal haalbare resultaat – zijnde een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering – reeds had bereikt, resteerde er geen specifiek aan het eerdere geschil te relateren belang. De rechtbank heeft daarom het bij haar ingediende beroep met juistheid niet-ontvankelijk verklaard.
3.4. Gelet op het bovenstaande treft het hoger beroep geen doel. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2009.
(get.) T. Hoogenboom
(get.) I.R.A. van Raaij.
CVG