ECLI:NL:CRVB:2009:BH2017
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- J. Riphagen
- H. Bedee
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herbeoordeling WAO-uitkering ondanks eigen bedrijf appellant
Appellant ontving sinds 1991 een WAO-uitkering, laatstelijk vastgesteld op 80-100% arbeidsongeschiktheid. Het Uwv herzag deze uitkering per 26 juni 2005 naar 45-55% arbeidsongeschiktheid op basis van een herbeoordeling. Appellant maakte bezwaar tegen deze herziening, maar het bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit besluit en oordeelde dat de herbeoordeling in overeenstemming was met de wettelijke regels en dat de belastbaarheid van appellant niet was overschat.
Appellant stelde in hoger beroep dat het Uwv onterecht artikel 44 van Pro de WAO niet toepaste, omdat hij een eigen bedrijf was gestart en zijn feitelijke inkomsten dus in mindering gebracht hadden moeten worden op zijn uitkering. Het Uwv verdedigde dat een herbeoordeling van de theoretische arbeidsongeschiktheid mogelijk is op grond van feiten die wijzen op verbetering, en dat toepassing van kortingsbepalingen niet noodzakelijkerwijs samen hoeft te gaan met zo’n herbeoordeling.
De Raad stelde vast dat het bestreden besluit een herbeoordeling van de theoretische arbeidsongeschiktheid betrof en dat deze herbeoordeling niet in strijd was met de wet, ook al had appellant niet zelf om een herbeoordeling gevraagd en viel hij niet onder de categorieën met een verplichte herbeoordeling. De Raad oordeelde dat het Uwv terecht artikel 36 toepaste Pro en niet artikel 44, ondanks het feit dat appellant overleg had gehad over zijn eigen bedrijf met een arbeidsdeskundige. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De herbeoordeling van de WAO-uitkering door het Uwv wordt bevestigd, zonder toepassing van artikel 44.