ECLI:NL:CRVB:2009:BH2160
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- K. Zeilemaker
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om ontslag tijdens laatste fase opleiding bij Koninklijke Marine
Verzoeker, een beroepspersoneelslid van de Koninklijke Marine, vroeg ontslag aan tijdens de laatste fase van zijn vijfjarige opleiding tot beroepsofficier, omdat hij zich niet meer thuis voelde binnen Defensie en elders carrière wilde maken. De staatssecretaris wees dit verzoek af vanwege het dienstbelang en het belang van de investering in de opleiding.
De rechtbank ’s-Gravenhage vernietigde het eerdere besluit wegens motiveringsgebrek, waarna de staatssecretaris het bezwaar opnieuw ongegrond verklaarde. De voorzieningenrechter van de rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, waarbij werd overwogen dat het beleid om ontslagverzoeken tijdens de opleiding in principe toe te wijzen geen automatisme is en dat bijzondere omstandigheden tot afwijzing kunnen leiden.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. De Raad stelt vast dat verzoeker zijn verzoek in een zeer laat stadium indiende, zonder bijzondere omstandigheden die het dienstbelang doen wijken. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt, omdat eerdere toewijzingen betrekking hadden op vroegere stadia van de opleiding. De Raad benadrukt dat verzoeker functies krijgt die passen bij zijn capaciteiten en dat hij ervaring opdoet die ook buiten Defensie van waarde is.
Er is geen redelijke mate van waarschijnlijkheid dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal blijven, zodat het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en het ontslagverzoek van verzoeker wordt bevestigd als terecht afgewezen.