ECLI:NL:CRVB:2009:BH2298
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijzondere bijstand voor legeskosten 2004 en 2005
Appellant had in 2004 een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor legeskosten verbonden aan een verblijfsvergunning, welke was afgewezen en waartegen geen beroep was ingesteld. In 2005 diende appellant een nieuwe aanvraag in voor een verblijfsvergunning met bijbehorende legeskosten en verzocht tevens om bijzondere bijstand voor de legeskosten uit 2004. Het College wees deze aanvragen af met het argument dat de kosten niet tot de noodzakelijke bestaanskosten behoren en dat over de eerdere legeskosten al een definitief besluit was genomen.
De rechtbank vernietigde het besluit over de legeskosten uit 2005 wegens een motiveringsgebrek, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. In hoger beroep stelde appellant dat zijn situatie was verslechterd, maar de Raad oordeelde dat dit geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die relevant zijn voor de eerdere afwijzing. Tevens werd vastgesteld dat de legeskosten uit 2005 ten tijde van de aanvraag reeds waren voldaan, waardoor geen bijzondere bijstand kon worden toegekend.
De Raad concludeerde dat het College terecht het verzoek om bijzondere bijstand voor de legeskosten uit 2004 mocht afwijzen op grond van het ontbreken van nieuwe feiten en dat de afwijzing voor de legeskosten uit 2005 eveneens terecht was. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de afwijzing van bijzondere bijstand voor legeskosten uit 2004 en 2005 wordt bevestigd.