ECLI:NL:CRVB:2009:BH2332
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- R.H.M. Roelofs
- G.W.B. van Westen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenverplichting
Appellant ontving vanaf 29 augustus 2003 een bijstandsuitkering op grond van de WWB. Na melding dat hij per half januari 2004 zelfstandig wilde gaan werken, werd de uitkering geblokkeerd en volgde een onderzoek door sociale recherche. Dit onderzoek toonde aan dat appellant van 20 juni 2003 tot 11 mei 2005 werkzaamheden verrichtte en inkomsten genoot uit een onderneming zonder dit aan het College te melden.
Op grond hiervan trok het College de bijstand per 11 mei 2005 in en vorderde de bijstand over de periode van 29 augustus 2003 tot 10 mei 2005 terug wegens schending van de inlichtingenverplichting. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep erkende appellant gedeeltelijk het niet volledig voldoen aan de inlichtingenplicht, maar stelde dat hij vanwege omstandigheden niets anders kon dan meewerken in de onderneming van zijn echtgenote.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende had gemeld dat hij sinds 1 oktober 2002 werkzaamheden verrichtte in een onderneming, ook al stond deze op naam van zijn echtgenote. Hierdoor kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Het College was bevoegd de bijstand in te trekken en terug te vorderen. De door appellant aangevoerde dringende redenen waren onvoldoende om van terugvordering af te zien. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens schending van de inlichtingenverplichting.