ECLI:NL:CRVB:2009:BH2427
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- J. Riphagen
- H. Bedee
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering onverschuldigde toeslagenwetuitkering
Appellant ontving naast een WAO-uitkering ook een WW-uitkering, waardoor zijn totale inkomen de grens overschreed voor recht op een toeslagenwetuitkering (TW). Het UWV herzag de TW-uitkering met terugwerkende kracht en vorderde de onverschuldigd betaalde bedragen terug. Appellant voerde aan niet te weten dat hij geen recht had op de toeslag en stelde dat terugvordering ernstige financiële gevolgen had.
De rechtbank oordeelde dat appellant geen recht had op de toeslag en dat het UWV terecht had herzien en teruggevorderd. De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en stelde dat appellant uit de berekening van de toeslag redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat alleen rekening was gehouden met de WAO-uitkering. De Raad vond geen dringende redenen om van terugvordering af te zien, ook niet gezien de financiële situatie van appellant.
De Raad benadrukte dat bij invordering rekening wordt gehouden met de beslagvrije voet, zodat appellant niet onder het bestaansminimum komt. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van de toeslagenwetuitkering en verklaart het hoger beroep ongegrond.