ECLI:NL:CRVB:2009:BH2440
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- R.H.M. Roelofs
- G.W.B. van Westen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering bijstandsuitkering wegens niet melden inwonende meerderjarige zoons
Appellante ontving sinds 1996 bijstand en kreeg een toeslag van 20%. Het College herzag de bijstand over 1997-2005 en verlaagde de toeslag naar 14%, omdat appellante niet had gemeld dat twee meerderjarige zoons met eigen inkomen bij haar woonden. Dit leidde tot een terugvordering van €8.836,20.
De rechtbank vernietigde het besluit deels en bepaalde dat het College een nieuw besluit moest nemen, waarbij werd geoordeeld dat tot 1 april 1998 geen schending van de inlichtingenplicht was, omdat de zoons toen tijdelijk verbleven. Het College beperkte daarop de herziening tot 1 april 1998 tot 31 januari 2005 en stelde het terug te vorderen bedrag vast op €8.037,97.
De Raad onderschrijft dat de zoons vanaf 1 april 1998 onafgebroken medebewoners waren, waardoor appellante haar inlichtingenplicht schond. Het feit dat het Openbaar Ministerie haar niet vervolgde, doet hieraan niets af. De Raad verklaart het beroep ongegrond en bevestigt het besluit van 6 juni 2007.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het besluit tot herziening en terugvordering van bijstand bevestigd.