ECLI:NL:CRVB:2009:BH2582
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging korting op AOW-toeslag wegens niet-ingezeten zijn echtgenote vóór 1962
Appellant diende een aanvraag in voor een AOW-uitkering en kreeg aanvankelijk een voorschot met toeslag toegekend. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) paste later een korting van 10% toe op de toeslag, omdat niet was vastgesteld dat de echtgenote van appellant vóór 29 januari 1962 in Nederland verzekerd was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat geen bewijs was geleverd dat de echtgenote vóór die datum in Nederland woonde. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onmogelijk was om na zo'n lange tijd bewijs te leveren van haar ingezetenschap vanaf 1960.
De Raad oordeelde dat uit de bevolkingsregisters bleek dat de echtgenote tot 30 januari 1962 in Duitsland stond ingeschreven en zich pas op 31 januari 1962 in Nederland vestigde. Overgelegde stukken toonden scholing en verblijf in Duitsland, niet in Nederland, en er was geen bewijs van werkzaamheden in Nederland vanaf 1960.
Daarom bevestigde de Raad de uitspraak van de rechtbank en zag geen aanleiding tot toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De korting van 10% op de toeslag blijft van kracht.
Uitkomst: De korting van 10% op de AOW-toeslag wordt bevestigd omdat niet is aangetoond dat de echtgenote vóór 29 januari 1962 in Nederland woonde of werkte.