ECLI:NL:CRVB:2009:BH2590
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, voormalig agrarisch medewerkster, kreeg sinds 1999 een WAO-uitkering toegekend wegens een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na een herbeoordeling door verzekeringsarts Dauven en een arbeidsdeskundige, werd vastgesteld dat haar resterende verdiencapaciteit een verlies van minder dan 15% vertoonde. Op grond hiervan werd haar WAO-uitkering per 2 april 2006 ingetrokken.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens onvoldoende motivering van de arbeidskundige grondslag, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat een juiste motivering later was gegeven. Appellante ging in hoger beroep tegen dit standpunt en voerde aan dat haar beperkingen onjuist waren vastgesteld en dat zij om medische redenen niet in staat was de geselecteerde functies te vervullen.
De Raad stelde vast dat de verzekeringsartsen alle klachten, zowel fysiek als psychisch, hebben betrokken bij hun oordeel. De medische rapporten en de beoordeling van de Riagg ondersteunden het oordeel dat appellante psychisch kwetsbaar was, maar niet volledig arbeidsongeschikt. De Raad vond de medische en arbeidskundige grondslag van het besluit zorgvuldig en deugdelijk gemotiveerd. De aangevallen uitspraak werd bevestigd, en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering van appellante wordt bevestigd wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.