ECLI:NL:CRVB:2009:BH2724

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
3 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-4152 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Th.C. van Sloten
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 475c RvArt. 475d RvArt. 58 WWBArt. 60 WWBArt. 6 Handhavingsverordening WWB
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging draagkrachtberekening en aflossingsverplichting bij terugvordering WWB

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen een door het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam vastgesteld maandbedrag van €400 voor aflossing van een openstaande schuld wegens te veel ontvangen bijstand. Hij stelde dat het College ten onrechte rekening hield met zijn inkomsten als krantenbezorger, omdat deze werkzaamheden van tijdelijke aard zouden zijn.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de draagkrachtberekening was gebaseerd op door appellant verstrekte gegevens en dat geen schending was van het verbod op reformatio in peius, het rechtszekerheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. Appellant ging hiertegen in hoger beroep.

De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het College de beslagvrije voet correct had toegepast conform de wettelijke voorschriften en dat de inkomsten uit de werkzaamheden van appellant niet als tijdelijk waren aangemerkt, mede gelet op de bankafschriften. De Raad onderschreef de eerdere overwegingen over rechtsbeginselen en concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt.

De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees het verzoek om schadevergoeding af. Tevens werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitspraak

07/4152 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 juni 2007, 05/5945 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 3 februari 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. W. Hoebba, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2008. Appellant is niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.S. Kisoentewari, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Bij brief van 22 december 2004 heeft het College het af te lossen bedrag op de openstaande schuld wegens te veel ontvangen bijstand van appellant met ingang van 1 januari 2005 vastgesteld op € 151,44 per maand. Daarbij is appellant gewezen op de mogelijkheid tot het indienen van een verzoek tot het maken van een draagkrachtberekening. Het College heeft in dat kader aangegeven dat de aflossingscapaciteit naar aanleiding van de berekening hoger kan worden vastgesteld dan op € 151,44 per maand.
1.2. Bij brief van 25 januari 2005 heeft appellant gesteld niet in staat te zijn € 151,44 per maand af te lossen en heeft hij verzocht om een draagkrachtberekening zodat aan de hand daarvan kan worden vastgesteld of en tot welk bedrag hij in staat is de openstaande vordering te voldoen.
1.3. Naar aanleiding van een door het College ingesteld onderzoek naar de draagkracht van appellant is bij besluit van 14 februari 2005 het maandelijks af te lossen bedrag met ingang van 1 maart 2005 vastgesteld op € 400,--.
1.4. Bij besluit van 1 november 2005 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 14 februari 2005 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 1 november 2005 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de draagkrachtberekening is gebaseerd op de door appellant overgelegde gegevens. Voorts heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden om te kunnen concluderen dat het besluit genomen zou zijn in strijd met het verbod van reformatio in peius, het rechtszekerheidsbeginsel en/of het vertrouwensbeginsel. Het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding wordt afgewezen.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Uit artikel 475c van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) in samenhang bezien met de artikelen 58 en 60 van de Wet werk en bijstand (WWB) volgt dat de tenuitvoerlegging van een besluit tot terugvordering zodanig geschiedt dat de belanghebbende blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet, zoals neergelegd in artikel 475d Rv. Uit artikel 6 van Pro de Handhavingsverordening Wet werk en bijstand volgt eveneens dat de debiteur in alle gevallen de beschikking dient te houden over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet.
4.2. De Raad stelt vast dat het College bij het bestreden besluit de beslagvrije voet heeft vastgesteld met inachtneming van artikel 475d, eerste lid, aanhef en onder b, en vijfde lid, Rv. Het College heeft dit bedrag afgetrokken van het totale inkomen van appellant, waaronder inkomsten als bezorger van het dagblad [naam dagblad], waarna andere betalingsverplichtingen in mindering zijn gebracht. De aflossingscapaciteit is vervolgens vastgesteld op € 400,-- per maand.
4.3. Appellant stelt zich op het standpunt dat het College ten onrechte rekening heeft gehouden met zijn inkomsten als krantenbezorger omdat dit slechts werkzaamheden van tijdelijke aard waren.
4.4. Uit de door appellant overgelegde bankafschriften blijkt dat appellant in de periode voorafgaand aan de berekening van de aflossingscapaciteit inkomsten uit werkzaamheden voor [naam dagblad] heeft genoten. Appellant heeft op geen enkele wijze zijn stelling dat deze werkzaamheden van tijdelijke aard waren onderbouwd. De Raad is dan ook van oordeel dat niet is gebleken dat de door het College gemaakte berekening in dat opzicht onjuist is.
4.5. Ter zake van de stellingen van appellant betreffende de schending van het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel, alsmede het verbod van reformatio in peius onderschrijft de Raad de overwegingen van de rechtbank en verwijst daarnaar. Hetgeen appellant hieromtrent in hoger beroep heeft aangevoerd leidt de Raad niet tot een ander oordeel.
4.6. Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
4.7. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten. De beslissing is, in tegenwoordigheid van N.L.E.M. Bynoe als griffier, uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2009.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) N.L.E.M. Bynoe.
RB