ECLI:NL:CRVB:2009:BH2738

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 januari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-3028 ZFW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.C. Schoemaker
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
  • R. Kooper
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 ZfwArt. 4, achttiende lid ZfwArt. 5, zesde lid ZfwArt. 8 Vw 2000Art. 12 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering vergoeding bevallingskosten wegens niet-rechtmatig verblijf en inschrijving Zfw

Appellante, met de Egyptische nationaliteit, was op 17 november 2005 bevallen terwijl zij op dat moment niet rechtmatig in Nederland verbleef. Zij was op 1 november 2005 Nederland binnengekomen met een machtiging tot voorlopig verblijf en had pas op 22 november 2005 een verblijfsvergunning gekregen en was toen ingeschreven als medeverzekerde in de Ziekenfondswet (Zfw).

De zorgverzekeraar Azivo had de vergoeding van de bevallingskosten geweigerd omdat appellante niet als medeverzekerde kon worden ingeschreven vóór 22 november 2005. Volgens artikel 5, zesde lid, van de Zfw moet de medeverzekerde op hetzelfde adres in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) staan ingeschreven als de hoofdverzekerde, wat niet het geval was op de datum van de bevalling.

De rechtbank had het beroep van appellante ongegrond verklaard vanwege het ontbreken van rechtmatig verblijf in Nederland in de relevante periode, zoals bepaald in artikel 4, achttiende lid, van de Zfw en artikel 8 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak en wijst de kritiek op de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) af omdat die buiten de reikwijdte van deze procedure valt.

De Raad ziet geen aanleiding om appellante in de proceskosten te veroordelen en bevestigt daarmee de eerdere beslissing van de rechtbank.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van vergoeding van bevallingskosten wegens niet-rechtmatig verblijf en onjuiste inschrijving in de GBA.

Uitspraak

07/3028 ZFW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 30 maart 2007, 06/6779 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
De Onderlinge waarborgmaatschappij Algemeen Ziekenfonds De Volharding U.A., gevestigd te ’s-Gravenhage (hierna: Azivo).
Datum uitspraak: 30 januari 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. B. Hiddinga mba, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Azivo heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2008. Namens appellante is verschenen mr. Hiddinga, voornoemd. Azivo heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.E. Waardenburg, werkzaam bij dit ziekenfonds.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellante heeft de Egyptische nationaliteit en is op 1 november 2005 Nederland ingereisd met een machtiging tot voorlopig verblijf. Op 2 november 2005 heeft zij een afspraak bij het immigratiekantoor gemaakt voor 22 november 2005. Op die datum heeft zij een verblijfsvergunning aangevraagd, die haar nadien is verleend voor de periode van 22 november 2005 tot 22 november 2006 en heeft inschrijving in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) plaatsgevonden. Per diezelfde datum is zij als medeverzekerde ingevolge de Ziekenfondswet (Zfw) ingeschreven. Inmiddels was appellante op
17 november 2005 bevallen.
1.1. Azivo heeft bij besluiten van 20 april en 4 mei 2006 geweigerd de kosten van de bevalling te vergoeden, omdat appellante eerst vanaf 22 november 2005 als medeverzekerde ingevolge de Zfw is ingeschreven.
1.2. Bij besluit van 3 juli 2006 heeft Azivo het bezwaar van appellante tegen voormelde besluiten ongegrond verklaard. Azivo heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat inschrijving als medeverzekerde op grond van artikel 5, zesde lid, van de Zfw eerst kan plaatsvinden indien appellante in de GBA op hetzelfde adres is ingeschreven als de verzekerde.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, kort samengevat overwogen dat nu appellant op grond van de machtiging tot voorlopig verblijf slechts een rechtsgeldig verblijf van acht dagen in Nederland had, zij in de periode van 9 november tot 22 november 2005 niet rechtmatig in Nederland verbleef, zodat zij gelet op het bepaalde in artikel 4, achttiende lid, van de Zfw niet aan de voorwaarden voor medeverzekering voldeed.
2.1. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3.1. De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Zfw zoals die luidde ten tijde hier van belang.
3.2. Ingevolge artikel 2 van Pro de Zfw zijn vreemdelingen die niet rechtmatig in Nederland verblijf genieten als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), niet in Nederland verzekerd ingevolge de Zfw. In artikel 4, achttiende lid, van de Zfw is bepaald dat in afwijking van artikel 2 van Pro de Zfw als medeverzekerde als bedoeld in dit artikel wordt aangemerkt, de vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder f tot en met k, van de Vw 2000.
3.3. Artikel 8, onder i, van de Vw 2000 bepaalt dat de vreemdeling in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf heeft gedurende de vrije termijn, bedoeld in artikel 12, zolang het verblijf van de vreemdeling bij of krachtens artikel 12 is Pro toegestaan.
3.4. Artikel 12, eerste lid, van de Vw 2000 bepaalt dat het aan de vreemdeling (….) gedurende een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen termijn is toegestaan in Nederland te verblijven (….).
Ingevolge het tweede lid van artikel 12 van Pro de Vw 2000 bedraagt deze termijn ten hoogste zes maanden en kunnen voor bij algemene maatregel van bestuur te onderscheiden categorieën van vreemdelingen verschillende termijnen worden vastgesteld.
Uit de artikel 3.3, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 volgt dat de vrije termijn voor appellante acht dagen bedraagt.
Hieruit volgt dat appellante geen rechtmatig verblijf hield in Nederland ten tijde van haar bevalling, zodat appellante op de bevallingsdatum niet als medeverzekerde kon worden ingeschreven.
3.5. Bovendien geldt ingevolge artikel 5, zesde lid, van de Zfw dat eerst tot inschrijving als medeverzekerde kan worden overgegaan indien de verzekerde op het zelfde adres in de GBA is ingeschreven als de persoon die medeverzekering verzoekt. Ook aan deze voorwaarde voldeed appellante niet op de datum van haar bevalling.
3.6. De van de kant van appellante geuite kritiek op de handelwijze van de IND laat de Raad in het kader van deze procedure, waarin uitsluitend de toepassing van de Zfw aan de orde is, onbesproken.
3.7. Gelet op het vorenstaande dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
3.8. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en N.J. van Vulpen-Grootjans en R. Kooper als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2009.
(get.) R.C. Schoemaker.
(get.) A. Badermann.
IJ