ECLI:NL:CRVB:2009:BH2934

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-5426 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.G. Treffers
  • G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
  • K.J. Kraan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbMilitaire wachtgeldregeling 1961
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging terugvordering wachtgeld wegens fiscale bijtelling privégebruik auto

Appellant ontvangt sinds 2000 wachtgeld en is daarna in dienst getreden bij een advocatenkantoor met een bedrijfsauto die ook privé mocht worden gebruikt. De fiscale bijtelling voor het privégebruik van deze auto werd vanaf 2006 betrokken bij de berekening van het wachtgeld (anticumulatie). Appellant maakte bezwaar tegen de terugvordering van teveel ontvangen wachtgeld over januari tot en met maart 2006.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelt de Raad vast dat het besluit tot terugvordering bevoegd is genomen, ondanks het ontbreken van de functieaanduiding bij ondertekening. De Raad oordeelt dat het privégebruik van de auto een voordeel uit dienstbetrekking is en dus bij anticumulatie hoort.

Echter, appellant hoefde niet te verwachten dat de fiscale bijtelling ineens zou worden betrokken bij de anticumulatie, aangezien de staatssecretaris dit niet vooraf had aangekondigd. Daarom kan de terugvordering voor het fiscale voordeel niet in stand blijven. De Raad vernietigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en bepaalt dat de staatssecretaris een nieuwe beslissing moet nemen.

Uitkomst: De terugvordering van wachtgeld wegens fiscale bijtelling wordt vernietigd en de staatssecretaris moet een nieuwe beslissing nemen.

Uitspraak

07/5426 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 6 augustus 2007, 07/3368 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Staatssecretaris van Defensie (hierna: staatssecretaris)
Datum uitspraak: 12 februari 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2008. Appellant is niet verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Peetsma en R. de Roo, beiden werkzaam bij KPMG Management Services te Emmen (hierna: KMS).
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad bij zijn beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant ontvangt sinds 1 september 2000 wachtgeld op grond van de Militaire wachtgeldregeling 1961 (hierna: Mwr). Aansluitend is appellant in dienst getreden van een advocatenkantoor. In deze dienstbetrekking had appellant de beschikking over een bedrijfsauto die hij ook privé mocht gebruiken. Belastingheffing over dit voordeel uit dienstbetrekking vond plaats via de inkomstenbelasting: bij de aangifte voor de inkomstenbelasting diende appellant een percentage van de waarde van de auto bij zijn inkomen op te tellen (hierna: fiscale bijtelling). Met ingang van 2005 werd de werkgever verplicht op de salarisstrook te vermelden of er sprake was van het genot van een bedrijfsauto. Per 1 januari 2006 werden werkgevers verplicht de fiscale bijtelling op de salarisstrook op te nemen en daarover loonheffing in te houden en af te dragen. Appellant heeft volgens de voorschriften op 31 januari 2006 bij het Uwv - de toenmalige uitvoerder van de Mwr - met het oog op de anticumulatie opgave gedaan van zijn inkomsten uit arbeid over de maand januari 2006 en daarbij zoals elke maand een kopie gevoegd van zijn salarisstrook.
1.2. Bij de ontvangst van zijn wachtgeldspecificatie eind april 2006 heeft appellant geconstateerd dat bij de berekening van zijn wachtgeld het bedrag van de fiscale bijtelling bij de anticumulatie was betrokken. Appellant heeft daartegen bij brief van 8 mei 2006 bezwaar gemaakt. Bij brief van 19 mei 2008 is appellant meegedeeld dat bij de verrekening van inkomsten uit arbeid met het wachtgeld wordt aangesloten bij hetgeen door de belastingdienst als belaste inkomsten wordt aangemerkt. Appellant heeft in dat standpunt berust.
1.3. Bij brief van 10 mei 2006 is van appellant een bedrag van € 1.791,11 netto teruggevorderd omdat hij over de maanden januari tot en met maart 2006 teveel wachtgeld heeft ontvangen. Dit is volgens die brief veroorzaakt doordat de aangeleverde informatie niet tijdig is verwerkt, waardoor er in onvoldoende mate is gekort.Het door appellant gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit van 14 maart 2007 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant ongegrond verklaard.
3. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd het volgende.
3.1. De Raad stelt allereerst vast dat appellant heeft berust in het bij de anticumulatie betrekken van de fiscale bijtelling waarvan hem bij de in 1.2 genoemde brief van 19 mei 2006 mededeling is gedaan. De Raad acht het standpunt van de staatssecretaris dat de waarde van het privégebruik van een bedrijfsauto bij de anticumulatie wordt betrokken juist, nu het privégebruik ontegenzeggelijk kan worden beschouwd als een voordeel uit dienstbetrekking en daarom het karakter van inkomsten uit arbeid heeft.
3.2. De Raad kan zich geheel verenigen met het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit bevoegd is genomen. Het gegeven dat bij de ondertekening van het bestreden besluit de functie van de ondertekenaar niet is vermeld, is weliswaar een tekortkoming, maar tast diens bevoegdheid niet aan. De rechtbank heeft dit gebrek bij de ondertekening terecht met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gepasseerd.
3.3. Eveneens kan de Raad zich geheel verenigen met de overwegingen en het oordeel van de rechtbank omtrent de (niet) toepasselijkheid van de zogenoemde zes-maanden-jurisprudentie. Vast staat immers dat de staatssecretaris de wijzigingen die noodzakelijk werden als gevolg van de salarisverhoging per 1 januari 2006 en het meenemen van de fiscale bijtelling in april en mei 2006, dus binnen zes maanden, heeft doorgevoerd.
3.4. Ten aanzien van de terugvordering onderschrijft de Raad echter het standpunt van appellant dat het hem - afgezien van de verwerking van de verhoging van zijn bruto salaris per 1 januari 2006 - niet redelijkerwijs duidelijk hoefde te zijn dat hij in de maanden januari tot en met maart 2006 teveel wachtgeld had ontvangen als gevolg van het nog niet bij de anticumulatie betrekken van de fiscale bijtelling over die maanden. Namens de staatssecretaris is weliswaar gesteld dat bij de berekening van de anticumula-tie tot 2006 altijd is uitgegaan van het loon voor de loonbelasting, maar deze mededeling is ter zitting desgevraagd niet nader gestaafd en wordt reeds gelogenstraft door de mede-deling in het primaire besluit van 10 mei 2006 over de bij de anticumulatie toegepaste formule, waarin sprake is van “bruto neveninkomsten inclusief vakantietoeslag en eventuele andere toeslagen”. Het verzoek van appellant in zijn brief van 8 mei 2006 om “het bedrag van de neveninkomsten onveranderd te houden op een bedrag van € 2.918,23 bruto per maand”, zijnde het ingaande 1 januari 2006 geldende bruto maand-salaris, spoort met die formule. Nu de staatssecretaris niet tevoren heeft aangekondigd dat de fiscale wijzigingen zouden worden aangegrepen om het voordeel van het privégebruik van een auto voortaan in de anticumulatie te betrekken, hoefde appellant daarop niet bedacht te zijn.
3.5. De Raad concludeert dat de terugvordering voor zover voortvloeiend uit de fiscale bijtelling niet in stand kan blijven. Dit betekent dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, evenals de aangevallen uitspraak waarbij die terugvordering geheel in stand is gelaten. De staatssecretaris dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak van de Raad.
4. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is de Raad niet gebleken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat de staatssecretaris een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen;
Bepaalt dat de staatssecretaris aan appellant het in eerste aanleg en in hoger beroep gestorte griffierecht ten bedrage van in totaal € 145,- vergoedt, te betalen door de Staat der Nederlanden.
Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2009.
(get.) J.G. Treffers.
(get.) P.W.J. Hospel.
HD