ECLI:NL:CRVB:2009:BH3195
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging voortzetting WAO-uitkering bij arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% ondanks psychische klachten
Appellant, arbeidsongeschikt sinds 1982 vanwege ernstige maagklachten en psychosociale problematiek, kreeg aanvankelijk een WAO-uitkering van 80 tot 100%. Na een herbeoordeling in 1997 werd zijn uitkering herzien naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15 tot 25%. Appellant betwistte deze herbeoordeling, maar de Raad oordeelde in 2003 dat er onvoldoende bewijs was voor ernstige psychische klachten die de beoordeling zouden beïnvloeden.
In 2003 vond een nieuw onderzoek plaats in Marokko door een arts en specialisten, waarna een verzekeringsarts een functionele mogelijkheden lijst (FML) opstelde met alle beperkingen. De arbeidsdeskundige berekende daarop een arbeidsongeschiktheid van 15,1%, passend binnen de klasse 15 tot 25%. Het Uwv besloot de uitkering ongewijzigd voort te zetten. Appellant maakte bezwaar en voerde aan dat zijn psychische gesteldheid onvoldoende was betrokken.
De bezwaararbeidsdeskundige bevestigde de berekening, ook zonder psychische beperkingen, wat leidde tot het ongegrond verklaren van het bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunten, maar de Raad stelde vast dat de psychische beperkingen buiten beschouwing mochten blijven omdat deze voortkwamen uit een andere oorzaak dan de oorspronkelijke arbeidsongeschiktheid.
De Raad concludeerde dat, zelfs met alle beperkingen meegerekend, het arbeidsongeschiktheidspercentage 15,1% bleef en de indeling in de klasse 15 tot 25% terecht was. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de voortzetting van de WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15 tot 25%.