ECLI:NL:CRVB:2009:BH3197
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.F. Bandringa
- F.A.M. Stroink
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking WAJONG-uitkering wegens onvoldoende medische onderbouwing
Appellante, die sinds 1997 lijdt aan de ziekte van Crohn, kreeg in 2002 een WAJONG-uitkering toegekend. Het UWV trok deze uitkering in 2005 in, omdat zij volgens een arbeidsdeskundige met de vastgestelde beperkingen fulltime arbeid zou kunnen verrichten. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd ongegrond verklaard door het UWV en bevestigd door de rechtbank.
In hoger beroep benoemde de Raad een onafhankelijke internist als deskundige, die concludeerde dat appellante vanwege ernstige, hardnekkige ziekte van Crohn en de noodzaak van uitgebreide medicatie niet in staat is tot fulltime arbeid. De bezwaarverzekeringsarts onderschreef deze conclusie.
De Raad volgt het oordeel van de onafhankelijke deskundige en oordeelt dat het oorspronkelijke besluit onvoldoende medische grondslag heeft. Daarom vernietigt de Raad het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en beveelt het UWV een nieuw besluit te nemen rekening houdend met deze uitspraak.
Daarnaast veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht van appellante.
Deze uitspraak benadrukt het belang van een volledige en juiste medische beoordeling bij het intrekken van sociale zekerheidsuitkeringen.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAJONG-uitkering wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.