ECLI:NL:CRVB:2009:BH3285
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenverplichting niet met juiste ingangsdatum
Appellant ontving bijstand sinds 1999 en was ingeschreven op een briefadres omdat hij geen eigen woonadres had. In december 2005 weigerde appellant herhaaldelijk informatie te verstrekken over zijn feitelijke verblijfplaats, waardoor het College van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage de bijstand introk met terugwerkende kracht vanaf 1 december 2005. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant zijn inlichtingenverplichting had geschonden.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij zijn verblijfplaatsen niet wilde prijsgeven vanwege de afhankelijkheid van vrienden en kennissen. De Raad oordeelde dat het College terecht om informatie had gevraagd en dat appellant niet aan zijn inlichtingenverplichting had voldaan. Hierdoor kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld, wat intrekking rechtvaardigde.
De Raad stelde echter vast dat de ingangsdatum van de intrekking onjuist was vastgesteld. De feitelijke weigering tot het verstrekken van informatie vond plaats op 7 december 2005, niet op 1 december. Daarom vernietigde de Raad het besluit voor de periode 1 tot en met 6 december 2005, herroept het primaire besluit voor die periode en bepaalt dat appellant recht heeft op bijstand over die dagen. Tevens veroordeelde de Raad het College in de proceskosten.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt vernietigd en herroepen voor de periode 1 tot en met 6 december 2005, waarna appellant over die periode bijstand ontvangt.