ECLI:NL:CRVB:2009:BH3288
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling vaderschap en terugwerkende toekenning kinderbijslag met beperkte terugwerkende kracht
Appellant vroeg kinderbijslag aan voor zijn kind [N.], geboren in 1999. Aanvankelijk werd dit geweigerd omdat het kind geen eigen kind van appellant was volgens de AKW, mede omdat de moeder destijds gehuwd was met een ander. Na ontbinding van dat huwelijk en het huwelijk van appellant met de moeder, werd kinderbijslag toegekend met terugwerkende kracht vanaf het derde kwartaal van 2002.
In 2004 werd door de rechtbank vastgesteld dat appellant de juridische vader van [N.] was. Op basis hiervan verzocht appellant om kinderbijslag met terugwerkende kracht vanaf de geboorte van het kind. De Sociale verzekeringsbank (Svb) weigerde dit en kende slechts één jaar terugwerkende kracht toe, stellende dat geen sprake was van een bijzonder geval.
De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, maar vernietigde dit later wegens onvoldoende motivering. De Svb handhaafde het besluit opnieuw. In hoger beroep oordeelt de Raad dat het vaderschap een nieuw feit is dat recht geeft op kinderbijslag met terugwerkende kracht. De Svb heeft echter onterecht het begrip 'bijzonder geval' te strikt geïnterpreteerd en onvoldoende rekening gehouden met de betekenis van het nieuw gebleken feit.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en beveelt de Svb een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van de zorgvuldigheid en motivering. Tevens veroordeelt de Raad de Svb in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de Sociale verzekeringsbank wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van de uitspraak.