ECLI:NL:CRVB:2009:BH3753

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-5146 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens whiplash met arbeidsmogelijkheden

Appellante stelde hoger beroep in tegen het besluit van het UWV tot intrekking van haar WAO-uitkering per 17 maart 2006, gebaseerd op het oordeel dat zij door whiplashklachten haar oorspronkelijke werk niet kan verrichten, maar wel in staat is tot gangbare arbeid. De rechtbank vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand vanwege een onvoldoende arbeidskundige onderbouwing.

In het hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag en het besluit van het UWV. De verzekeringsarts had de duurbeperking laten vervallen en een arbeidsdeskundige had functies geselecteerd met een theoretisch loonverlies van minder dan 15%. De Raad oordeelde dat de medische beperkingen niet waren onderschat en dat de door een neuroloog uitgevoerde expertise geen twijfel zaaide over het medisch oordeel.

De Raad benadrukte dat voor de mate van arbeidsongeschiktheid de oorzakelijkheidsvraag van de klachten niet relevant is. Tevens werd bevestigd dat het medisch onderzoek niet slechts een dossierstudie was, aangezien de verzekeringsarts appellante persoonlijk had gezien en de bezwaarverzekeringsarts de hoorzitting had bijgewoond. De Raad wees een proceskostenveroordeling af en bevestigde het bestreden besluit.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering van appellante.

Uitspraak

07/5146 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 16 juli 2007, 06/1562,
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 20 februari 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting van 19 december 2008 heeft de Raad geschorst. Partijen hebben nadien stukken ingezonden. Op 6 februari 2009 vond de vervolgzitting plaats. Daar stond haar vader appellante bij. Het Uwv liet zich vertegenwoordigen door mr. E.T.B. van der Werf.
II. OVERWEGINGEN
1. Het beroep richt zich tegen het ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) op 23 mei 2006 door het Uwv genomen besluit. Hierbij heeft het Uwv gehandhaafd zijn besluit van 25 januari 2006 tot de intrekking van de WAO-uitkering van appellante per 17 maart 2006. Daaraan ligt ten grondslag dat appellante door whiplashklachten weliswaar haar werk als medewerkster van een zakenreisbureau niet, maar gangbare arbeid wel kan verrichten.
2. De rechtbank heeft de medische grondslag van het bestreden besluit als juist aanvaard. Zij heeft het beroep gegrond verklaard, nu pas in beroep een voldoende arbeidskundige motivering is gegeven. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen in stand gelaten.
3.1. Appellante heeft in 1999 haar werk na een verkeersongeval gestaakt. Na afloop van de wettelijke wachttijd was zij op medische gronden volledig arbeidsongeschikt, later is zij ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse 45-55%, nadat bij medisch onderzoek beperkingen voor nek- en schouderbelastend werk waren vastgesteld, naast een duurbeperking (maximaal 20 uur per week, 4 uur per dag), concentratiezwakte en beperkingen voor werken onder tijdsdruk en het dragen van verantwoordelijkheid.
3.2. Op 24 oktober 2005 is appellante gezien door de verzekeringsarts, die de duurbeperking liet vervallen. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens (full time) functies geselecteerd en het theoretische loonverlies berekend op minder dan 15%.
4.1. Het hoger beroep richt zich vergeefs tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen met het betoog dat de medische beperkingen van appellante door het Uwv zijn onderschat, want de Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het besluit. De bezwaarverzekeringsarts heeft voldoende gemotiveerd waarom geen duurbeperking (meer) geldt.
4.2. Anders dan appellante meent, veroorzaakt de door de neuroloog E. Oosterhoff uitgevoerde expertise geen twijfel aan de juistheid van het medisch oordeel van de (bezwaar-)verzekeringsarts. Voor de mate van arbeidsongeschiktheid is niet van belang of de klachten van appellante het gevolg zijn van het ongeval waarvan zij slachtoffer werd. Oosterhoff richtte zich in zijn expertise wel op dat die oorzakelijkheidsvraag.
4.3. Dat de verzekeringsarts uitging van een verkeerd arbeidsongeschiktheidscriterium, is in bezwaar hersteld.
4.4. Anders dan appellante aanvoert, bestond het medisch onderzoek niet alleen uit een “zuivere dossierstudie”: de verzekeringsarts zag appellante op het spreekuur van
24 oktober 2005, de bezwaarverzekeringsarts woonde de hoorzitting bij, beschikte over de door Oosterhof uitgevoerde expertise en informatie van de appellante behandelende artsen.
5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan R.C. Stam. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2009.
(get.) R.C. Stam.
(get.) A.C. Palmboom.
JL