ECLI:NL:CRVB:2009:BH3806

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 januari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-5458 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17c AOWArt. 49 AOW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijk verklaring hoger beroep tegen waarschuwing Sociale Verzekeringsbank

Appellant, woonachtig in België, ontving op 23 mei 2005 van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) een schriftelijke waarschuwing wegens het niet tijdig melden van een wijziging in zijn woonsituatie, in strijd met zijn mededelingsverplichting op grond van de AOW. De Svb verklaarde het bezwaar van appellant tegen deze waarschuwing bij besluit van 15 augustus 2005 ongegrond. De rechtbank Amsterdam bevestigde dit bij uitspraak van 29 augustus 2007.

Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, maar verscheen niet op de zitting van 18 december 2008. De Centrale Raad van Beroep stelde ambtshalve vast dat sinds de waarschuwing meer dan twee jaar waren verstreken, waardoor de waarschuwing geen nadelige gevolgen meer kan hebben voor appellant volgens artikel 17c, derde lid, van de AOW. Hierdoor ontbrak het appellant aan een actueel procesbelang.

De Raad verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk en zag geen aanleiding om appellant in de proceskosten te veroordelen. De beslissing werd uitgesproken door rechter H.J. de Mooij op 29 januari 2009.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.

Uitspraak

07/5458 AOW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
[Appellant], wonende te [woonplaats], België (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 augustus 2007, 06/3398 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2008. Appellant is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J. Oudenes.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Bij besluit van 23 mei 2005 heeft de Svb appellant een waarschuwing gegeven als bedoeld in artikel 17c van de AOW. Hieraan is ten grondslag gelegd dat appellant niet heeft voldaan aan zijn mededelingsverplichting door de wijziging met betrekking tot zijn woonsituatie niet onverwijld te melden.
1.2. Bij besluit van 15 augustus 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 mei 2005 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De Raad ziet zich, ambtshalve, gesteld voor de vraag of appellant thans nog belang heeft bij een beoordeling van de aangevallen uitspraak. In dit verband overweegt hij als volgt.
4.2. In artikel 17c, derde lid, van de AOW is bepaald dat indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting bedoeld in artikel 49 van Pro de AOW niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van ouderdomspensioen, de Svb kan afzien van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid en kan volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake, tenzij het niet tijdig nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaren te rekenen vanaf de datum van waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven.
4.3. De Raad stelt vast dat sinds het besluit van 23 mei 2005 waarbij de Svb appellant een schriftelijke waarschuwing heeft gegeven, inmiddels meer dan twee jaren verstreken zijn. Dit betekent dat, gelet op de periode van twee jaren als genoemd onder 4.2, de gegeven waarschuwing niet meer tot voor appellant nadelige gevolgen kan leiden. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat thans overigens nog een procesbelang aanwezig is bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit.
4.4. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2009.
(get.) H.J. de Mooij.
(get.) W. Altenaar.
IA