ECLI:NL:CRVB:2009:BH3868

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-421 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit intrekking WAO-uitkering ondanks onderzoek door niet-geregistreerd arts

Appellante, werkzaam als etaleuse, viel uit wegens schouder- en nekklachten en ontving een WAO-uitkering. Het UWV trok deze uitkering in na een onderzoek door een niet-geregistreerd verzekeringsarts, wat volgens vaste jurisprudentie tot vernietiging van het besluit leidt.

In hoger beroep stelde appellante dat haar beperkingen waren onderschat en dat het onderzoek onvoldoende was vanwege het ontbreken van registratie en kennis van haar medische voorgeschiedenis. De Raad constateerde dat dit gebrek in de bezwaarfase was hersteld door een onderzoek van een geregistreerd verzekeringsarts, wiens rapporten voldoende duidelijk en overtuigend waren.

De Raad oordeelde dat de medische en arbeidskundige grondslagen van het besluit voldoende deugdelijk waren, ondanks dat de functie van portier verviel zonder gevolgen voor de schatting. Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit, maar liet de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand. Het betaalde griffierecht werd aan appellante vergoed.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

07/421 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 november 2006, 06/1466 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft daarop bij brief van 9 maart 2007 gereageerd.
Het Uwv heeft appellante, na verkregen toestemming, alsnog doen oproepen voor het spreekuur van S.M. Lustenhouwer, bezwaarverzekeringsarts, die op 5 september 2008 heeft gerapporteerd. Bij brief van 9 oktober 2008 heeft de Raad vragen aan het Uwv gesteld, welke het Uwv bij schrijven van 29 oktober 2008 heeft beantwoord, waarbij tevens een nader rapport van 21 oktober 2008 van Lustenhouwer voornoemd naar de Raad is gezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 november 2008. Appellante was niet aanwezig. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door J.M.W. Beers.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellante, werkzaam als etaleuse, is op 1 mei 2002 uitgevallen wegens schouder- en nekklachten. Aan haar is in verband hiermee een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk, dat wil zeggen voor december 2004, berekend naar een percentage van 25 tot 35%. In februari 2005 is zij gezien op het spreekuur van de arts van het Uwv D. Asfar, die heeft gesteld dat vier weken na een begin december 2004 ondergane operatie, derhalve per 31 december 2004, sprake was van volledige arbeidsongeschiktheid, maar dat appellante per toekomende datum belastbaar is. Hij heeft de bij appellante vastgestelde beperkingen vastgelegd in een Functionele mogelijkheden lijst (FML). De arbeidsdeskundige van het Uwv heeft blijkens het rapport van 6 augustus 2005 een aantal voor appellante geschikte functies geselecteerd en vastgesteld dat zij daarmee een zodanig inkomen kan verdienen dat een verlies aan verdiencapaciteit resteert van 6,13%. Bij besluit van 15 september 2005 heeft het Uwv vervolgens de WAO-uitkering van appellante ingetrokken per 7 oktober 2005. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Het Uwv heeft dit bezwaar, na rapportage door Lustenhouwer voornoemd, ongegrond verklaard bij besluit van
14 februari 2006 (hierna: het bestreden besluit).
2. Namens appellante is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Daarbij is onder meer gesteld, dat haar beperkingen zijn onderschat. Tevens heeft appellante erop gewezen dat Asfar voornoemd te weinig rekening heeft gehouden met haar klachten, dat hij over te weinig informatie uit de behandelend sector beschikte en dat ten onrechte niet in aanmerking is genomen dat haar medische situatie na het onderzoek door de primaire arts is verslechterd. Ook is onvoldoende toegelicht waarom zij, gelet op haar medische situatie, in staat zou zijn de geduide functies te verrichten.
3. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank de medische grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Door appellante zijn geen stukken in geding gebracht die twijfel kunnen wekken aan het oordeel van de beide verzekeringsartsen. Ook de stelling dat haar situatie verslechterd zou zijn is onvoldoende met nadere gegevens onderbouwd, aldus de rechtbank. De rechtbank heeft eveneens de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.
4. Appellante heeft in hoger beroep er in de eerste plaats op gewezen dat Asfar voornoemd ten tijde van het onderzoek niet geregistreerd was als verzekeringsarts. Ook was het onderzoek door hem onvoldoende en had hij te weinig kennis van haar medische voorgeschiedenis. Haar belastbaarheid is aanzienlijk minder dan in de FML is weergegeven.
5.1. De Raad oordeelt als volgt.
5.2. De Raad merkt op dat appellante in de primaire fase niet is onderzocht door een geregistreerd verzekeringsarts. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad moet zulks in beginsel leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, tenzij dit gebrek in de latere besluitvorming geacht kan worden te zijn geheeld. De Raad constateert dat appellante op 1 september 2008 alsnog op het spreekuur is gezien door Lustenhouwer voornoemd, die omtrent haar conclusies in het rapport van 5 september 2008 heeft gerapporteerd. De Raad acht haar bevindingen voldoende helder en overtuigend. Door middel van het vorenbedoelde rapport, gelezen in samenhang met het door Lustenhouwer in de bezwaarfase uitgebrachte rapport, is in dit geval het aanvankelijk aan het bestreden besluit klevende gebrek naar het oordeel van de Raad verholpen. Voor het overige is de Raad, met de rechtbank, van oordeel dat er van de zijde van appellante geen nadere medische gegevens in het geding zijn gebracht die in voldoende mate haar stelling ondersteunen, dat het medisch onderzoek onvolledig is geweest dan wel dat er meer of andere beperkingen in aanmerking genomen hadden moeten worden. Een aantal door appellante in hoger beroep overgelegde rapporten hebben geen betrekking op de datum in geding. Aan de brief van 20 december 2006 van F. van Bommel, orthopedisch chirurg, kan niet die waarde worden gehecht die appellante eraan toegekend wil zien omdat uit die brief geenszins blijkt dat appellantes beperking voor het verrichten van arbeid zijn onderschat. De Raad acht derhalve de medische grondslag van het bestreden besluit voldoende deugdelijk.
5.3. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag stelt de Raad vast, dat eerst in beroep met het rapport van 27 juni 2006 van A.G. Diergaarde, bezwaararbeidsdeskundige, een toelichting op de eventuele belastende aspecten van de geduide functies is gegeven die aan de eisen van de rechtspraak van de Raad voldoet, terwijl ook in hoger beroep nog een nadere toelichting is gegeven, die ertoe heeft geleid dat de functie van portier - overigens zonder gevolgen voor de schatting - is vervallen. Nu een voldoende inzichtelijke en adequate toelichting eerst na het totstandkomen van het bestreden besluit voorhanden is, moet zulks leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Daar de Raad, als aangegeven, de verstrekte toelichting wel voldoende deugdelijk acht, bestaat er aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.
5.4. Het voorgaande leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak, waarbij het beroep ongegrond is verklaard, voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep dient gegrond te worden verklaard en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De rechtsgevolgen van dit besluit kunnen in stand worden gelaten.
6. De Raad is niet gebleken van proceskosten die op basis van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Wel dient het Uwv het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 143,- te vergoeden.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal € 143,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J. Riphagen als voorzitter en T. Hoogenboom en H. Bedee als leden. De beslissing is in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2009.
(get.) J. Riphagen.
(get.) I.R.A. van Raaij.
KR