ECLI:NL:CRVB:2009:BH3876

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-1446 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging verlaging WAO-uitkering ondanks geschil over medische duurbeperking

Appellante, die sinds 1996 een WAO-uitkering ontvangt wegens arbeidsongeschiktheid, maakte bezwaar tegen de verlaging van haar uitkering per 17 mei 2005 naar 25-35% arbeidsongeschiktheid. Zij voerde aan dat haar medische beperkingen, met name de duurbeperking die haar maximale werkuren beperkte, ten onrechte waren komen te vervallen.

De rechtbank had het beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen in stand gelaten. In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep het besluit van het UWV en de motivering van de bezwaarverzekeringsarts beoordeeld. De Raad oordeelt dat de medische onderbouwing voor het vervallen van de duurbeperking voldoende is, mede gelet op het feit dat appellante naast haar parttime werk ook een studie psychologie volgde en actief was in het huishouden en sociale contacten.

De door appellante overgelegde verklaringen van haar revalidatieartsen, die een zwaardere beperking stelden, worden door de Raad niet als doorslaggevend beschouwd. De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wijst een kostenveroordeling af.

Uitkomst: De verlaging van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat de medische grondslag voor het vervallen van de duurbeperking toereikend is.

Uitspraak

07/1446 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 26 januari 2007, 06/597, (de aangevallen uitspraak)
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 20 februari 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante is hoger beroep ingesteld. Zij heeft drie verklaringen van de haar behandelende revalidatieartsen ingezonden.
Het Uwv heeft verweer gevoerd en verwezen naar rapporten van de bezwaarverzekeringsarts van 20 april 2007 en 7 januari 2009. Dit laatste rapport is met instemming van appellante ter zitting aan het dossier toegevoegd.
Het onderzoek ter zitting vond plaats op 9 januari 2009. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. A.J.M. Arentz-Veldkamp, werkzaam bij Stichting Univé Rechtshulp. Namens het Uwv is verschenen mr. P. Belopavlovic.
II. OVERWEGINGEN
1. Het beroep richt zich tegen het ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) op 24 maart 2006 door het Uwv bekend gemaakte besluit. Hierbij heeft het Uwv zijn besluit van 18 maart 2005 in die zin herroepen dat de WAO-uitkering van appellante met ingang van 17 mei 2005 wordt verlaagd naar een arbeidsongeschiktheid van 25-35%.
2. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het besluit van 24 maart 2006 vernietigd, maar de rechtsgevolgen er van in stand gelaten.
3.1. Appellante werkte tot 1 mei 1993 als fulltime verzekeringsadviseur. Vanaf 24 juli 1995 heeft zij dat werk wegens chronische pijnklachten gestaakt. Aan haar is ingaande 22 juli 1996 een WAO-uitkering toegekend.
3.2. Later heeft zij hervat in aangepaste werkzaamheden gedurende 20 uren per week. In verband daarmee is haar WAO-uitkering verlaagd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%. De uitbetaling van haar uitkering vond plaats naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%. Uitbreiding van de aangepaste werkzaamheden van 20 naar 24 uur per week heeft appellante niet volgehouden.
3.3. Bij de verzekeringsgeneeskundige beoordeling in augustus 1997 werd voorlopig en bij die in november 1998 definitief, aangenomen dat appellante maximaal 20 uur per week kon werken.
3.4. Bij zijn beoordeling in januari 2005 heeft de verzekeringsarts deze duurbeperking laten vervallen. De bezwaarverzekeringsarts heeft daarvoor de volgende redengeving gegeven:
“(..) Betrokkenes ziektebeelden hebben geen directe implicatie voor de energiehuishouding (..). Voor de chronische klachten worden somatische beperkingen (rug) aangenomen, voor de mentale gevoeligheden worden ook beperkingen aangenomen. De Functionele Mogelijkheden Lijst heeft ook een preventief karakter. Naast haar halve week werken volgt betrokkene nog een studie, is ze actief in huishouden en sociale contacten. Er is geen sprake van dagdelen vergende therapie of verplichte dagelijkse meerdere uren vergende bedrust”.
4. Het hoger beroep van appellante keert zich tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen door de rechtbank met de beroepsgrond dat haar medische beperkingen zijn onderschat. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of de in het verleden aanvaarde duurbeperking terecht bij de huidige beoordeling is vervallen.
5.1. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de medische grondslag van het bestreden besluit niet ontoereikend of onjuist is. De Raad acht de door de bezwaarverzekeringsarts gegeven redengeving voor het vervallen van de duurbeperking toereikend. Naast haar parttime werk volgde appellante een studie psychologie, waarvoor zij geregeld moest reizen. Ook aan het overige deel van het dagverhaal heeft de bezwaarverzekeringsarts overtuigende argumenten ontleend om de in het verleden gehanteerde duurbeperking te laten vervallen.
5.2. De appellante behandelende revalidatiearts M.A.P. Klatte ziet in zijn attest van 29 december 2008 geen enkele arbeidsmogelijkheid voor appellante. Aan deze, op zichzelf staande en niet met de duurzame feitelijke arbeidsinspanning overeenstemmende opvatting, kan de Raad niet het gewicht toekennen dat appellante daaraan toegekend wil zien.
5.3. De appellante behandelende revalidatiearts dr. W.K.N. van der Meij deed in zijn brief van 10 april 2007 verslag van afwijkende leverwaarden in combinatie met een irritabel collon als mogelijke verklaring voor het energieverlies van appellante. Deze veronderstelling mist voor de Raad echter, tegenover de gemotiveerde, andersluidende opvatting van de bezwaarverzekeringsarts in zijn reactie van 20 april 2007, voldoende overtuigingskracht. De bezwaarverzekeringsarts heeft er immers op gewezen dat de loonwaarden slechts beperkt afwijken van de normaalwaarden en beslist gemotiveerd dat hieruit het subjectief ervaren energieverlies afdoende wordt verklaard.
6. In beroep heeft het Uwv voldoende toegelicht dat de functies voor appellante geschikt zijn. De Raad ziet aanleiding om de aangevallen uitspraak te bevestigen.
7. Voor een kostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan R.C. Stam. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2009.
(get.) R.C. Stam.
(get.) A.C. Palmboom.
KR