ECLI:NL:CRVB:2009:BH3889
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en toepassing Wet Amber bij maag- en psychische klachten
Appellant, voormalig tuinarbeider, viel in 1989 uit wegens maagklachten en kreeg daarop arbeidsongeschiktheidsuitkeringen toegekend die later per 1 mei 1992 werden ingetrokken. Appellant stelde dat zijn psychische beperkingen na die datum waren toegenomen en verzocht om toepassing van de Wet Amber, die toegenomen arbeidsongeschiktheid op grond van dezelfde ziekteoorzaak compenseert.
De Raad concludeert dat de psychische klachten van appellant niet voortkomen uit dezelfde oorzaak als de oorspronkelijke arbeidsongeschiktheid wegens maag- en darmklachten. Uit medische rapportages blijkt dat de maagklachten vóór en na 1 mei 1992 onveranderd waren en dat er geen toename van beperkingen is vastgesteld. De psychische klachten kunnen daarom niet meewegen in de beoordeling van het verzoek om een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
De rechtbank had het beroep van appellant deels gegrond verklaard vanwege overschrijding van de redelijke termijn, maar het inhoudelijke besluit tot afwijzing van de uitkering op grond van de Wet Amber gehandhaafd. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak en wijst het hoger beroep af, waarbij zij ook oordeelt dat het Uwv zorgvuldig heeft gehandeld en dat een persoonlijk onderzoek van appellant niet noodzakelijk was gezien de beschikbare medische gegevens.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep wijst het hoger beroep af en bevestigt dat de psychische beperkingen niet relevant zijn voor de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet Amber.