Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BH4081

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-2832 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.P.M. van de Kerkhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbWet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomenInvoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering herziening WAZ-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten

Appellant verzocht herhaaldelijk om herziening van het besluit van 28 april 1998 waarin het UWV weigerde hem een WAZ-uitkering toe te kennen wegens minder dan 25% arbeidsongeschiktheid. Na eerdere afwijzingen diende appellant in 2006 opnieuw een verzoek in, dat ook werd afgewezen omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd overwogen dat de door appellant overgelegde medische rapporten geen substantieel nieuw licht op de zaak wierpen. De verzekeringsarts bevestigde dat er geen fouten in de gevalsbehandeling waren gemaakt en dat de professionele attitude ten aanzien van CVS/ME in overeenstemming was met relevante rapporten.

De Centrale Raad van Beroep onderschreef deze beoordeling en voegde toe dat er wel degelijk een individuele beoordeling had plaatsgevonden. De aangevoerde argumenten in hoger beroep, waaronder een vermeende overschrijding van de hoorplicht, waren niet nieuw en boden geen aanleiding tot herziening. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit tot weigering van de WAZ-uitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

07/2832 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 3 mei 2007, 06/7497 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 25 februari 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft J.B. Elders, werkzaam bij Adviesbureau BAS, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde J.B. Elders. Het Uwv is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv en haar rechtsvoorgangers.
1.2. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
1.3. Bij besluit van 28 april 1998 heeft het Uwv geweigerd appellant met ingang van 31 juli 1996 een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toe te kennen op de grond dat appellant minder dan 25% arbeidsongeschikt is. Dit besluit staat in rechte vast.
1.4. Nadat eerdere verzoeken van appellant van 10 maart 1999 en 29 december 2000 tot herziening van het besluit van 28 april 1998 waren afgewezen, heeft appellant bij brief van 20 april 2006 andermaal verzocht om terug te komen van het besluit van 28 april 1998.
1.5. Bij besluit van 5 juli 2006 heeft het Uwv het verzoek van appellant van 20 april 2006 afgewezen. Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 5 september 2006 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard. Het Uwv neemt, met verwijzing naar artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, het standpunt in dat er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die aanleiding geven om terug te komen van het besluit van 28 april 1998.
2.1. Bij de aangevallen uitspraak, waarin appellant is aangeduid als eiser en het Uwv als verweerder, heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij onder meer het volgende overwogen:
“Eiser heeft ter nadere onderbouwing van het herzieningsverzoek rapporten overgelegd van dr. S.P. Israëls, internist, van 25 april 2000 en 25 mei 2000, dr. M.L. Stek, psychiater, van 20 oktober 2001, prof. dr. I.M. Hoepelman, internist-infectioloog, van
11 september 2002, dhr. P.W.M. van Meerendonk, arts, van 18 juli 2003 en dhr. R. Groenink, optometrist, van 16 juli 2003. Verweerder heeft deze rapporten in de primaire fase van het herzieningsverzoek voorgelegd aan verzekeringsarts R. Breeders. De verzekeringsarts heeft de vraag of sprake is van nieuwe informatie ontkennend beantwoord, nu de in vorenvermelde rapporten vervatte conclusies geen substantieel nieuw licht op de gevalsbehandeling werpen. Daarbij is van belang dat in de eerdere procedure de verzekeringsarts zich niet heeft laten leiden door de gedachte dat CVS/ME geen ziekte is; hij heeft immers, de onderzoeksbevindingen in aanmerking genomen, geen beperkingen geduid. De verzekeringsarts is van mening dat er geen fouten zijn gemaakt in de gevalsbehandeling en heeft bevestigd dat in het recentere en verdere verleden de professionele attitude richting het ziektebeeld CVS/ME in overeenstemming is met de strekking van de Motie Vendrik en het rapport van de Gezondheidsraad aangaande dit onderwerp. In zijn rapportage van 1 september 2006 komt de bezwaarverzekeringsarts tot eenzelfde conclusie, te weten dat de door eiser overgelegde rapporten geen nieuwe gezichtspunten opleveren. Daartoe acht hij redengevend dat er bij eiser een uitgebreide toets volgens het MAOC heeft plaatsgevonden. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts bevestigd dat de vereiste consistentie nog immer bij eiser ontbreekt.
De rechtbank is van oordeel dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de conclusie van de (bezwaar)verzekeringsarts dat de door eiser overgelegde verklaringen geen nieuwe (medische) feiten bevatten die zouden moeten leiden tot herziening van het bestreden besluit. Op grond van vorenstaande heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb heeft aangevoerd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet kan worden gezegd dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen weigeren om van het besluit van 28 april 1998 terug te komen.”
3.1. De Raad kan zich vinden in dit oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Daaraan zij toegevoegd dat uit de gedingstukken blijkt dat wel degelijk een individuele beoordeling van de situatie van appellant heeft plaats gevonden.
Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, bevat geen nieuwe gezichtspunten - ook niet wat betreft de door appellant gestelde overschrijding van de hoorplicht - en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
3.2. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2009.
(get.) C.P.M. van de Kerkhof.
(get.) M.A. van Amerongen.
CVG