ECLI:NL:CRVB:2009:BH4144

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-633 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.P.M. van de Kerkhof
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:18 AwbArt. 6:19 AwbArt. 8:73 AwbArt. 8:75 AwbArt. 3 Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening WAO-uitkering en beoordeling medische beperkingen

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de herziening van haar WAO-uitkering door het UWV, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid werd vastgesteld tussen 15 en 25%. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en wees het beroep tegen het tweede besluit af, waarbij zij het medisch onderzoek van het ACAG en de verzekeringsartsen van het UWV als zorgvuldig en toereikend beoordeelde.

In hoger beroep betoogde appellante dat haar beperkingen onvoldoende waren erkend en dat ten onrechte was afgezien van een urenbeperking. De Raad overwoog dat het medisch onderzoek, inclusief anamnese, functionele capaciteitsevaluatie en rapportages van verzekeringsartsen, een zorgvuldige onderbouwing vormde. De Raad vond geen objectieve medische gronden om de urenbeperking toe te kennen.

Wel oordeelde de Raad dat de nadere onderbouwing van de arbeidskundige passendheid van de functies pas in hoger beroep was verstrekt, waardoor het bestreden besluit onvolledig was gemotiveerd. Daarom vernietigde de Raad het besluit, maar liet de rechtsgevolgen geheel in stand. Vergoeding van schade werd afgewezen omdat de rechtsgevolgen ongewijzigd bleven.

De Raad veroordeelde het UWV tot betaling van proceskosten van €483,- en tot vergoeding van het griffierecht van €105,-. De beslissing werd uitgesproken door C.P.M. van de Kerkhof in aanwezigheid van griffier M.A. van Amerongen.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onvolkomen motivering, maar de rechtsgevolgen blijven ongewijzigd; het UWV wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

07/633 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 14 december 2006, 05/116 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 25 februari 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft K. Abel, werkzaam bij Juricon Adviesgroep B.V. te Assen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 4 september 2008 heeft J.R. Beukema, eveneens werkzaam bij Juricon voornoemd, het hoger beroep nader toegelicht.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2008. Appellante is, zoals tevoren was bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.R. Bos.
Na de behandeling ter zitting is de Raad gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.
Bij brief van 22 oktober 2008 heeft appellante nadere stukken ingediend en desgevraagd gereageerd op een – ter zitting van 24 september 2008 door het Uwv overgelegd – rapport van de bezwaararbeidsdeskundige L.H.L. Stiekema van 3 maart 2005.
Bij brief van 13 november 2008 heeft het Uwv een hem door de Raad gestelde vraag beantwoord en een rapport van de bezwaararbeidsdeskundige H.G. Coerts van 10 november 2008 in het geding gebracht.
Het geding is andermaal behandeld ter zitting van de Raad van 14 januari 2009. Voor appellante is verschenen J.R. Beukema. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.M. Snippe.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een uitvoeriger weergave van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, volstaat de Raad met het volgende.
1.2. Bij besluit van 30 september 2004, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 29 december 2004 (hierna: bestreden besluit 1), heeft het Uwv appellantes uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 30 november 2004 ingetrokken, op de grond dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante met ingang van laatstgenoemde datum is afgenomen naar minder dan 15%.
1.3. Tijdens de procedure bij de rechtbank heeft het Uwv na een heroverweging van de arbeidskundige aspecten, onder intrekking van bestreden besluit 1, een nieuw besluit op bezwaar van 7 december 2005 (hierna: bestreden besluit 2) afgegeven, waarin het besluit van 30 september 2004 wordt herroepen en de WAO-uitkering van appellante met ingang van 30 november 2004 wordt herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%.
2. De rechtbank heeft, gelet op het bepaalde in de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) het beroep van appellante mede gericht geacht tegen bestreden besluit 2. Zij heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 wegens een gebrek aan procesbelang niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond. De rechtbank heeft, samengevat, geoordeeld dat bestreden besluit 2 berust op een zorgvuldige en toereikende medische grondslag. De rechtbank heeft bij haar oordeel met name betekenis gehecht aan de bevindingen en conclusies van het Arbeidsexpertisecentrum van het Academisch Centrum voor Arbeid & Gezondheid (ACAG), dat appellante op verzoek van het Uwv heeft onderzocht. De rechtbank heeft tevens beslissingen gegeven omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht.
3. Het hoger beroep keert zich primair tegen de (wijze van totstandkoming van de) medische grondslag van bestreden besluit 2. Appellante meent dat het Uwv de voor haar geldende beperkingen heeft onderschat. Appellante is in het bijzonder van mening dat ten onrechte is afgezien van een urenbeperking. Appellante voert verder aan dat het oordeel van de rechtbank onvoldoende (inzichtelijk) is gemotiveerd.
4.1. Aangezien de uitspraak van de rechtbank slechts is aangevochten, voor zover deze strekt tot ongegrondverklaring van het tegen bestreden besluit 2 ingestelde beroep, is het geding in hoger beroep daartoe beperkt.
4.2. De Raad overweegt als volgt.
4.3. Appellante is op verzoek van de voor het Uwv werkzame arts K.J. Volders onderzocht door het ACAG. Het onderzoek hield in een anamnese door de casemanager H.F. Brodie-Eerens, een onderzoek door drs. W. Jorritsma, arts pijnteam, een onderzoek door de psycholoog dr. Y. Meesters en een zogenoemde Functional Capacity Evaluation (FCE) door de bewegingswetenschapper en fysiotherapeut dr. M.F. Reneman. Onder het stellen van de diagnose chronisch pijnsyndroom met rug- en beenklachten, zagen de onderzoekers in hun rapport van 28 juni 2004 op medische gronden geen contra-indicaties voor belasting met arbeid. Volgens de onderzoekers moest appellante op basis van de testprestaties in elk geval in staat worden geacht tot het uitvoeren van werkzaamheden met een lichte fysieke arbeidsbelasting. Op grond van de – consistente – anamnestische gegevens, het huidige klachtenbeeld en het feit dat appellante reeds lange tijd niet normaal had gefunctioneerd, achtten de onderzoekers een beperking ten aanzien van lopen en staan, respectievelijk een beperking ten aanzien van tillen, dragen en duwen van meer dan 5 tot 10 kilogram aangewezen. De onderzoekers achtten appellante niet beperkt wat betreft zitten, mits appellante de mogelijkheid had tot vertreden. In aanmerking genomen dat appellante reeds lange tijd niet normaal had gefunctioneerd, achtten de onderzoekers tot slot een urenbeperking van 4 uren per dag geïndiceerd. Aan de hand van een tijdscontingent tijdsplan kon er vervolgens opbouw naar fulltime functioneren plaatsvinden, aldus de onderzoekers.
4.4. Volders gaf daarop in zijn rapport van 15 september 2004 aan de bevindingen en conclusies van de onderzoekers te onderschrijven, behoudens de door hen noodzakelijk geachte urenbeperking. Volders zag voor een zodanige beperking geen grond, enerzijds omdat geen sprake was van een situatie als beschreven in de Verzekeringsgeneeskundige Standaard Urenreductie en anderzijds omdat een tijdscontingente opbouw zich volgens Volders niet zou uitstrekken over een langere periode dan de uitlooptermijn van twee maanden. Appellante kon daarom worden geschat op fulltime functies, aldus Volders. In bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts M.A. Peerden de conclusies van Volders onderschreven.
4.5.1. De Raad ziet gelet op het onder 4.3 en 4.4 overwogene, evenals de rechtbank, geen aanknopingspunten om de door de verzekeringsartsen van het Uwv ingestelde medische onderzoeken niet voldoende zorgvuldig en de daarop gebaseerde conclusies onjuist te achten. De Raad is van oordeel dat niet is kunnen blijken van genoegzame aanknopingspunten in objectief-medische zin om appellante te kunnen volgen in de opvatting dat haar beperkingen in onvoldoende mate door de verzekeringsartsen zijn erkend. Appellante heeft haar standpunt in hoger beroep ook niet gestaafd met nadere, van (behandelend) artsen afkomstige, medische gegevens.
4.5.2. De Raad is van oordeel dat de artsen van het Uwv met alle door appellante ondervonden klachten rekening hebben gehouden en inzichtelijk hebben gemotiveerd in hoeverre de diverse klachten gezien de bevindingen bij onderzoek aanleiding geven tot het aannemen van beperkingen op objectief medische gronden. De Raad is van oordeel dat de aan bestreden besluit 2 ten grondslag liggende medische beoordeling volledig in overeenstemming is met het bepaalde in de artikelen 3 en 4 van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten. De Raad ziet in hetgeen de gemachtigde van appellante heeft aangevoerd geen aanleiding af te wijken van zijn vaste rechtspraak ten aanzien van het arbeidsongeschiktheidsbegrip in de WAO, zoals onder meer neergelegd in zijn uitspraak van 3 oktober 2008, LJN BF6777. De (bezwaar)verzekeringsarts heeft voorts voldoende inzichtelijk gemotiveerd waarom de bevindingen van het ACAG geen aanleiding vormen voor het aannemen van een urenbeperking. In dit verband wijst de Raad ook op de overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak dienaangaande. Hetgeen appellante daar tegenin heeft gebracht, acht de Raad onvoldoende overtuigend.
4.6. De stelling van appellante dat de rechtbank haar oordeel niet naar behoren heeft gemotiveerd treft geen doel. Uit de aangevallen uitspraak blijkt voldoende om welke redenen de rechtbank tot haar oordeel is gekomen. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak zowel de wijze van totstandkoming als het resultaat van het medisch onderzoek door de artsen van het Uwv getoetst, hetgeen blijkt uit de overwegingen op bladzijde 5 en 6 van de aangevallen uitspraak. De Raad acht die overwegingen helder en inzichtelijk.
4.7. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van bestreden besluit 2 heeft bezwaararbeidsdeskundige H.G. Coerts bij het in rubriek I genoemde rapport van 10 november 2008 een nadere onderbouwing voor de passendheid van de geduide functies verstrekt. De Raad is van oordeel dat met die onderbouwing voldoende inzichtelijk is gemaakt dat appellante de geduide functies kan vervullen. Aangezien het Uwv die onderbouwing echter eerst ter zake van het hoger beroep heeft geleverd en derhalve eerst op dat moment een voldoende inzichtelijke onderbouwing is verstrekt, ziet de Raad aanleiding bestreden besluit 2 wegens een onvolkomen motivering te vernietigen doch de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand te laten.
5. Voor vergoeding van schade als door appellante verzocht is ingevolge artikel 8:73 van Pro de Awb in het onderhavige geval geen plaats, nu de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven, zodat de Raad dit verzoek afwijst.
6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 483,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. De kosten van het door appellante in eerste aanleg ingebrachte rapport van de fysiotherapeut / manueel therapeut C. Bron komen niet voor vergoeding in aanmerking. Nu appellante geen grieven heeft aangevoerd tegen de beslissing van de rechtbank om uitsluitend de gemaakte kosten voor verleende rechtsbijstand in beroep te vergoeden en niet de door appellante in beroep gemaakte kosten voor het inwinnen van medisch advies, ziet de Raad geen grond om deze kosten te vergoeden.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot € 483,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht in hoger beroep van € 105,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2009.
(get.) C.P.M. van de Kerkhof.
(get.) M.A. van Amerongen.
TM