ECLI:NL:CRVB:2009:BH4241

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-1288 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.C.M. van Laar
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering ondanks knieklachten en suikerziekte

Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering te herzien van 80-100% naar 25-35% arbeidsongeschiktheid per 10 februari 2006. Hij stelde dat zijn knieklachten en suikerziekte hem meer beperkten dan het UWV had vastgesteld en verzocht om een onafhankelijke medisch deskundige.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat het UWV een zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek had verricht en de arbeidskundige selectie van geschikte functies adequaat was gemotiveerd. De Raad overwoog dat de medische en arbeidskundige rapporten voldoende waren en dat appellant zijn stellingen niet met concrete medische stukken had onderbouwd.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit, en zag geen aanleiding een onafhankelijke medisch deskundige in te schakelen. De Raad oordeelde dat appellant in staat werd geacht de geselecteerde functies te verrichten en dat het UWV geen onjuist beeld had van zijn gezondheidstoestand op de datum in geding.

Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering naar 25-35% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.

Uitspraak

07/1288 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 18 januari 2007, 06/1173 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 26 februari 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.C. Cornelisse, advocaat te Apeldoorn, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2009. Appellant is, met kennisgeving, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E. van den Brink.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.
2. Bij besluit van 12 december 2005 heeft het Uwv de aan appellant toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 10 februari 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Bij besluit van 29 maart 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv, na een verzekeringsgeneeskundige heroverweging, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 december 2005 ongegrond verklaard.
3. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken dat het Uwv een onjuist beeld heeft van de medische situatie van appellant en dat appellant zijn standpunt dat hij verdergaande beperkingen heeft dan het Uwv heeft aangenomen, niet met concrete medische gegevens heeft onderbouwd. Gelet op de beschikbare medische en arbeidskundige gegevens is de rechtbank van oordeel dat het Uwv de gezondheidstoestand van appellant op de datum in geding en de daaruit voortvloeiende beperkingen niet onjuist heeft ingeschat. De rechtbank is voorts van oordeel dat appellant op de datum in geding in staat moest worden geacht de functies te verrichten die de arbeidsdeskundige voor hem uit het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem heeft geselecteerd. Daarbij heeft de rechtbank mede de door de bezwaararbeidsdeskundige in de rapportage van
26 september 2006 gegeven nadere toelichting in aanmerking genomen. Omdat het bestreden besluit eerst in de beroepsfase van een volledige en toereikende onderbouwing is voorzien, heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, met instandlating van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit.
4. Het hoger beroep is gericht tegen de instandlating van de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit. Appellant stelt zich, met verwijzing naar hetgeen hij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd, op het standpunt dat hij met name door zijn toegenomen knieklachten en de gevolgen van suikerziekte meer beperkt is dan het Uwv heeft aangenomen. Hij acht zich niet in staat de hem voorgehouden functies per de datum in geding uit te voeren. Hij heeft de Raad verzocht een onafhankelijke medisch deskundige te raadplegen.
5. Het Uwv heeft, onder verwijzing naar de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige, de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
6.1. De Raad overweegt als volgt.
6.2. De verzekeringsarts heeft bij het onderzoek op 24 oktober 2005 beperkingen aangenomen als gevolg van knieklachten beiderzijds en van suikerziekte. Deze beperkingen heeft de verzekeringsarts omschreven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van dezelfde datum. Appellant werd in staat geacht hele dagen kniesparende arbeid te verrichten zonder onregelmatige diensten. De bezwaarverzekeringsarts heeft op basis van dossieronderzoek en een gesprek met appellant tijdens de hoorzitting geen medische argumenten gezien om af te wijken van het oordeel van de verzekeringsarts. De Raad is van oordeel dat een zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft plaatsgevonden en is met de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat het Uwv een onjuist beeld heeft gehad van de gezondheidstoestand van appellant en de daaruit voortvloeiende beperkingen op de datum hier in geding, 10 februari 2006. De Raad acht zich voldoende voorgelicht over de medische aspecten en ziet geen aanleiding een onafhankelijke medisch deskundige in te schakelen.
6.3. De Raad is voorts met de rechtbank van oordeel dat er geen aanleiding te oordelen dat het bestreden besluit niet op een juiste arbeidskundige grondslag berust. Aan de schatting liggen de functies vleeswarenmaker, slachter en visverwerker (sbc-code 271070), wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (sbc-code 267050), elektronica monteur (nieuwbouw en onderhoud) (sbc-code 267040) en productiemedewerker confectie, kleermaken (sbc-code 272042) ten grondslag. Bij de selectie van de voor appellant geschikt te achten functies is de arbeidsdeskundige uitgegaan van de belastbaarheid van appellant zoals omschreven in de FML. In de notities functiebelasting en in het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 26 september 2006 is de geschiktheid van de functies nader toegelicht. Daarmee heeft het Uwv naar het oordeel van de Raad in overeenstemming met de daaraan in de jurisprudentie van de Raad gestelde eisen toereikend gemotiveerd dat de belasting in de appellant voorgehouden functies de belastbaarheid van appellant niet overschrijdt.
6.4. Hetgeen appellant heeft aangevoerd kan de Raad niet tot een ander oordeel brengen, nu appellant zijn stellingen niet met medische stukken of anderszins nader heeft onderbouwd.
6.5. Het hoger beroep slaagt niet. De Raad zal de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, bevestigen.
7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2009.
(get.) M.C.M. van Laar.
(get.) E.M. de Bree.
MH