ECLI:NL:CRVB:2009:BH4289
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen WAO-uitkeringsbesluit wegens fibromyalgie en arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als verwerkster van vis, viel uit wegens klachten aan nek, schouder en rug, later vastgesteld als fibromyalgie. Het UWV concludeerde dat zij ongeschikt was voor haar eigen werk maar geschikt voor gangbare arbeid, en wees een WAO-uitkering af wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.
De rechtbank vernietigde dit besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand. Appellante ging in hoger beroep tegen dit standpunt en bracht aanvullende medische stukken in. Het UWV stelde vervolgens een nieuw besluit vast waarin een WAO-uitkering werd toegekend met een mate van arbeidsongeschiktheid tussen 15 en 25%.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen juist waren vastgesteld. De arbeidskundige beoordeling van de geschiktheid voor functies was voldoende gemotiveerd. Het beroep tegen het nieuwe besluit werd ongegrond verklaard. Het UWV werd veroordeeld tot betaling van wettelijke rente over de vertraagde uitkering en proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het beroep tegen het nieuwe UWV-besluit wordt ongegrond verklaard, het eerdere vonnis wordt deels vernietigd, en het UWV wordt veroordeeld tot rentevergoeding en proceskosten.