ECLI:NL:CRVB:2009:BH4468

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-4031 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 SchattingsbesluitArt. 3 SchattingsbesluitArt. 4 SchattingsbesluitArt. 3:2 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening WAO-uitkering en beoordeling medische rapportage verzekeringsartsen

Betrokkene ontving sinds 2001 een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. In 2005 heeft appellant de uitkering herzien naar 55-65% arbeidsongeschiktheid, wat bij bezwaar ongegrond werd verklaard.

De rechtbank vernietigde dit besluit omdat het primaire medische onderzoek was uitgevoerd door een verzekeringsarts in opleiding, wat volgens de rechtbank niet voldeed aan de wettelijke eisen. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat het onderzoek door zowel een geregistreerde verzekeringsarts als een arts in opleiding is uitgevoerd, waarbij overleg heeft plaatsgevonden en een gezamenlijk standpunt is bereikt.

Hierdoor kleeft geen gebrek aan het primaire onderzoek en kan het vonnis van de rechtbank niet in stand blijven. De Raad wijst de zaak terug naar de rechtbank voor inhoudelijke behandeling van het bezwaar tegen het besluit van 28 april 2006. Een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd.

Uitkomst: De aangevallen uitspraak wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank voor verdere behandeling.

Uitspraak

07/4031 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 juni 2007, 06/2981 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene)
en
appellant.
Datum uitspraak: 27 februari 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2009. Betrokkene is verschenen bij gemachtigde mr. E. Wolter. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Betrokkene ontving sinds 14 maart 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
1.2. Na een medische en arbeidskundige beoordeling heeft appellant bij besluit van 28 november 2005 de WAO-uitkering van betrokkene met ingang van 23 januari 2006 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Bij het bestreden besluit van 28 april 2006 heeft appellant het bezwaar van betrokkene ongegrond verklaard.
2.1. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat het primaire medische onderzoek verricht is door een verzekeringsarts in opleiding (H.B.G. Borninkhof) en dat dit gebrek in bezwaar niet door de bezwaarverzekeringsarts is hersteld.
2.2. Op grond van het voorgaande is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het bestreden besluit, gelet op de wijze waarop de medische grondslag daarvan is voorbereid en tot stand is gekomen, voor vernietiging in aanmerking komt wegens strijd met de artikelen 2, 3 en 4 van het Schattingsbesluit en met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
2.3. Gelet hierop heeft de rechtbank vervolgens overwogen dat de overige beroepsgronden van betrokkene onbesproken kunnen blijven.
3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat bij de primaire medische beoordeling niet alleen de verzekeringsarts in opleiding betrokken was. Vanwege de toegekende urenbeperking was er sprake van een zogenoemde dubbele beoordeling. Borninkhof was weliswaar niet geregistreerd als verzekeringsarts, maar verzekeringsarts J.S. Baldewsing wel. Beide artsen hebben lichamelijk onderzoek bij betrokkene verricht, hebben uitvoerig overleg met elkaar gevoerd en zijn het met elkaar eens geworden over de vast te stellen beperkingen. Daarom behoefde de bezwaarverzekeringsarts niet ook nog eens lichamelijk onderzoek te verrichten. In wezen is het manco van het niet-geregistreerd zijn van Borninkhof gerepareerd, doordat Baldewsing zich als geregistreerd verzekeringsarts de conclusies van Borninkhof heeft eigen gemaakt.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. Betrokkene is op 6 juli 2005 op het spreekuur van verzekeringsarts Baldewsing geweest. Vervolgens is zij op 16 augustus 2005 voor een tweede beoordeling op het spreekuur van Borninkhof geweest, waarbij deze heeft aangegeven met de eerste beoordelaar in overleg te gaan treden. Blijkens de rapportage van Borninkhof van 5 september 2005 heeft dit overleg ook daadwerkelijk plaatsgevonden en zijn de artsen wat de medische beperkingen van betrokkene betreft tot een gezamenlijk standpunt gekomen.
4.3. Hieruit volgt dat aan het primaire verzekeringsgeneeskundige onderzoek niet het door de rechtbank gesignaleerde gebrek kleeft dat het niet is verricht door een geregistreerde verzekeringsarts.
4.4. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. Omdat de rechtbank niet aan een inhoudelijk oordeel over het besluit van 28 april 2006 is toegekomen, zal de Raad de zaak ter verdere behandeling terugwijzen naar de rechtbank.
4.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Wijst de zaak ter verdere behandeling terug naar de rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en G. van der Wiel en G.J.H. Doornewaard als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2009.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) A.C. Palmboom.
CVG