ECLI:NL:CRVB:2009:BH4493

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 februari 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-4067 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Bolt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering na zorgvuldige vaststelling beperkingen

Appellante ontving sinds mei 2002 een WAO-uitkering wegens psychische klachten met een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het UWV trok deze uitkering per 2 april 2006 in, omdat zij niet langer arbeidsongeschikt werd geacht. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat werd afgewezen. Vervolgens stelde zij in hoger beroep dat de beperkingen onjuist waren vastgesteld, mede omdat onvoldoende rekening was gehouden met de diagnose BPPD en de bevindingen van diverse artsen.

De Raad stelde vast dat voor de beoordeling van de juiste beperkingen niet de diagnose BPPD doorslaggevend is, maar de medisch objectiveerbare beperkingen ten aanzien van arbeid. De psychiater Van Rossum's expertise uit 2002 bood onvoldoende steun voor verdere beperkingen op de datum van het besluit. Ook de geschiktheid van de aan appellante geduide functies werd door de Raad bevestigd, mede op basis van rapportages van een bezwaararbeidsdeskundige en een bezwaarverzekeringsarts.

De Raad concludeerde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Arnhem. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De uitkering blijft ingetrokken.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering wegens juiste vaststelling van de beperkingen.

Uitspraak

07/4067 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 4 juni 2007, 06/4113 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 27 februari 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.F. van Willigen, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapportage ingezonden van een bezwaarverzekeringsarts van het Uwv van 16 april 2007.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Willigen voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van den Elsaker.
II. OVERWEGINGEN
1. Aan appellante is in verband met psychische klachten met ingang van 6 mei 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Op basis van de conclusies en bevindingen uit een medisch en een arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 3 februari 2006 deze uitkering per 2 april 2006 ingetrokken op de grond dat appellante niet langer arbeidsongeschikt wordt geacht op grond van de WAO.
2. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 3 februari 2006. Bij besluit van 28 juni 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard.
3. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de beschikbare medische gegevens, overwogen geen aanknopingspunten aanwezig te achten voor het oordeel dat het medisch onderzoek op ondeskundige wijze of onzorgvuldige wijze is verricht en geen reden te zien om te twijfelen aan de juistheid van de bij het bestreden besluit aangenomen belastbaarheid van appellante, als neergelegd in de zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 16 januari 2006. Voorts heeft de rechtbank, in reactie op de stelling van appellante dat zij verdergaand beperkt is te achten dan door het Uwv is aangenomen, overwogen in hetgeen in dat verband door appellante is aangevoerd, geen grond te zien om aan te nemen dat van verdergaande beperkingen had moeten worden uitgegaan. De rechtbank heeft daarbij acht geslagen op de door appellante in beroep overgelegde informatie van haar huisarts K.M. Jacobs van
28 juni 2006, waaruit van de opvattingen bleek van de neuroloog P.H.E. Hilkens en de KNO-arts H. Bouman, alsmede op de rapportage van de psychiater A.M. van Rossum van 27 september 2002. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de bezwaarverzekeringsarts R. Rombout in zijn rapportages van 20 juni 2006 en 23 augustus 2006 genoegzaam onderbouwd dat in die informatie geen grond aanwezig was om meer of verdergaande beperkingen aan te nemen. Voorts heeft de rechtbank als haar oordeel te kennen gegeven dat van de zijde van het Uwv genoegzaam aannemelijk is gemaakt dat de belasting in de functies die aan de onderhavige schatting ten grondslag zijn gelegd niet de belastbaarheid van appellante overschrijdt.
4. Appellante heeft in hoger beroep wederom aangevoerd dat bij het bestreden besluit van te geringe beperkingen voor het verrichten van arbeid is uitgegaan. Zij is van mening dat de bevindingen van de psychiater Van Rossum niet in voldoende mate in de ten aanzien van haar vastgestelde FML zijn terug te vinden. Ook is naar haar opvatting onvoldoende rekening gehouden met de bevindingen van de KNO-arts Bouman, die volgens haar wel degelijk de diagnose Benigne Paroxismale Positieafhankelijke Duizeligheid (BPPD) heeft gesteld. De klachten en beperkingen die daaruit voortvloeien, zijn ten onrechte niet in de FML verwerkt. Voorts heeft appellante wederom aangevoerd dat de aan haar geduide functies niet geschikt voor haar zijn te achten.
5. Het Uwv heeft in zijn verweerschrift gesteld dat appellante de door haar in bezwaar en beroep aangevoerde gronden in hoger beroep heeft herhaald en niets nieuws heeft aangevoerd. Het Uwv heeft tevens een rapportage overgelegd van de bezwaarverzekeringsarts Rombout van 16 april 2007, waarin deze ingaat op de door appellante ingebrachte informatie van de huisarts, de neuroloog en de KNO-arts, alsmede op de rapportage van de psychiater Van Rossum.
6. Het oordeel van de Raad.
6.1. Met de rechtbank ziet de Raad in de voorhanden zijnde medische gegevens genoegzaam steun voor het oordeel dat de medische beperkingen zorgvuldig en juist zijn vastgesteld. De Raad stelt zich achter de overwegingen die de rechtbank ter onderbouwing van dat oordeel heeft neergelegd in de aangevallen uitspraak. Daarnaast wijst de Raad er op dat voor de vraag of bij het bestreden besluit de juiste beperkingen zijn aangenomen niet doorslaggevend is of nu wel of niet de diagnose BPPD is gesteld, maar of de medisch objectiveerbare beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid juist zijn vastgesteld. Ook de Raad ziet in hetgeen door appellante in hoger beroep wederom is gesteld onvoldoende grond om aan te nemen dat bij het bestreden besluit ten aanzien van appellante niet de juiste beperkingen zijn aangenomen. De in september 2002 door de psychiater Van Rossum uitgebrachte expertise biedt, mede gelet op de thans in geding zijnde datum 2 april 2006, daarvoor, zoals de bezwaarverzekeringsarts Rombout genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt, onvoldoende steun.
6.2. Wat de vraag betreft of de aan appellante geduide functies in medisch opzicht voor haar geschikt zijn te achten, ziet de Raad in hetgeen appellante in hoger beroep heeft gesteld, geen grond om het oordeel van de rechtbank terzake voor onjuist te houden. Ook ten aanzien van dit aspect van het bestreden besluit stelt de Raad zich achter de overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv genoegzaam onderbouwd dat de belasting in de aan appellante voorgehouden functies op de door appellante in hoger beroep genoemde aspecten niet de ten aanzien van appellante aangenomen belastbaarheid overschrijdt; hij verwijst hiervoor naar de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige H.A.M. van Eekhoudt van 27 juni 2006 en de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts Rombout van 16 april 2007. De stellingen die appellante in dit verband heeft betrokken, acht de Raad onvoldoende onderbouwd of aannemelijk gemaakt om tot een ander oordeel te komen.
6.3. Uit hetgeen de Raad onder 6.1 en 6.2 heeft overwogen, vloeit voort dat het hoger beroep van appellante geen doel treft en dat moet worden beslist als hierna is vermeld.
7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2009.
(get.) H. Bolt.
(get.) T.J. van der Torn.
JL