ECLI:NL:CRVB:2009:BH4493
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering na zorgvuldige vaststelling beperkingen
Appellante ontving sinds mei 2002 een WAO-uitkering wegens psychische klachten met een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het UWV trok deze uitkering per 2 april 2006 in, omdat zij niet langer arbeidsongeschikt werd geacht. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat werd afgewezen. Vervolgens stelde zij in hoger beroep dat de beperkingen onjuist waren vastgesteld, mede omdat onvoldoende rekening was gehouden met de diagnose BPPD en de bevindingen van diverse artsen.
De Raad stelde vast dat voor de beoordeling van de juiste beperkingen niet de diagnose BPPD doorslaggevend is, maar de medisch objectiveerbare beperkingen ten aanzien van arbeid. De psychiater Van Rossum's expertise uit 2002 bood onvoldoende steun voor verdere beperkingen op de datum van het besluit. Ook de geschiktheid van de aan appellante geduide functies werd door de Raad bevestigd, mede op basis van rapportages van een bezwaararbeidsdeskundige en een bezwaarverzekeringsarts.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Arnhem. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De uitkering blijft ingetrokken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering wegens juiste vaststelling van de beperkingen.