ECLI:NL:CRVB:2009:BH4498
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- G. van der Wiel
- G.J.H. Doornewaard
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigde WAO-uitkering wegens niet opgegeven inkomsten uit arbeid
Appellant ontving sinds 1993 een WAO-uitkering op basis van een hoge mate van arbeidsongeschiktheid. Uit een onderzoek van het UWV bleek dat appellant in de jaren 1994 tot en met 2002 werkzaamheden verrichtte als feitelijk leidinggevende van meerdere ondernemingen, waaronder een vennootschap waarvan hij inkomsten genoot die niet aan het UWV waren opgegeven.
Het UWV besloot de onverschuldigd betaalde uitkeringen over de periode 1996-2002 terug te vorderen en verklaarde de bezwaren van appellant ongegrond. De rechtbank Dordrecht oordeelde eveneens dat appellant onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de inkomsten niet aan hem toekwamen en dat het UWV terecht had gehandeld.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad acht het onderzoek en de verklaringen van betrokkenen voldoende betrouwbaar en wijst erop dat appellant niet had aangetoond dat de werkelijkheid anders was dan door het UWV gesteld. Ook het niet informeren van het UWV over de aankoop van een vennootschap en de behaalde winst werd meegewogen.
Het hoger beroep slaagt niet en de terugvordering blijft in stand. Er worden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van de onverschuldigd betaalde WAO-uitkering wordt bevestigd.