AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging intrekking WAO-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellante, voormalig caissière, ontving sinds 1996 een WAO-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In 2006 trok het UWV deze uitkering in na medisch en arbeidskundig onderzoek. De rechtbank vernietigde dit besluit vanwege onvoldoende motivering omtrent een geclaimde concentratiestoornis, maar oordeelde dat de medische beoordeling verder standhield en dat geen urenbeperking noodzakelijk was.
In hoger beroep stelde appellante dat er wel sprake moest zijn van een gedeeltelijke urenbeperking. Het UWV handhaafde het besluit en voerde een nieuw medisch onderzoek uit, waarbij beperkingen werden vastgesteld in fysieke belastbaarheid en concentratie, maar geen urenbeperking werd gegrond verklaard.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het oordeel van de rechtbank en het UWV, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld. De Raad wees het beroep tegen het nieuwe besluit af en bevestigde de intrekking van de WAO-uitkering zonder urenbeperking.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd zonder urenbeperking.
Uitspraak
07/3214 WAO en 07/5171 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 24 april 2007, 06/4295 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 27 februari 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.J. Bakker, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend met daarbij een reactie van 16 augustus 2007 van bezwaarverzekeringsarts M.E.J. van Hooff. Tevens heeft het Uwv een nieuw besluit op bezwaar van 31 mei 2007 overgelegd met de daarbij behorende onderliggende stukken.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2009. Appellante is - met voorafgaand bericht - niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante was werkzaam als caissière toen zij zich op 18 mei 1995 ziek meldde. Het Uwv heeft aan appellante met ingang van 16 juni 1996 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
1.2. Na medisch en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 8 februari 2006 met ingang van 25 maart 2006 de WAO-uitkering van appellante per 25 maart 2006 ingetrokken. Het tegen het besluit van 8 februari 2006 gemaakte bezwaar is bij besluit van 18 juli 2006 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard, bestreden besluit 1 vernietigd, het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen en beslissingen gegeven omtrent proceskosten en griffierecht. De rechtbank stelde vast dat de bezwaarverzekeringsarts M.E.J. van Hooff het standpunt van de ingeschakelde deskundige J.D. Verhoeven met betrekking tot de door appellante geclaimde concentratiestoornis heeft verlaten, terwijl de andere conclusies uit diens rapport wel werden overgenomen. Deze afwijking is niet nader gemotiveerd. Nu de afwijking van het deskundigenrapport niet nader is toegelicht, is het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank in strijd met het in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde vereiste dat een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering. Voorts overweegt de rechtbank dat de medische beoordeling voor het overige de rechterlijke toetsing kan doorstaan. Vanuit verzekeringsgeneeskundig oogpunt bezien is naar het oordeel van de rechtbank terecht geen urenbeperking aangenomen.
3. Tegen het oordeel van de rechtbank over de medische onderbouwing van bestreden besluit 1 is in hoger beroep aangevoerd dat er sprake dient te zijn van een gedeeltelijke urenbeperking.
4.1. Bij het - ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen - besluit van 31 mei 2007 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellante wederom ongegrond verklaard. Uit de aan bestreden besluit 2 ten grondslag gelegde rapportage van bezwaarverzekeringsarts Van Hooff van 15 mei 2007 blijkt dat in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) alsnog een beperking is gegeven op het aspect concentreren van de aandacht. Voorts heeft bezwaararbeidsdeskundige C. Limbeek de geduide functies opnieuw beoordeeld en heeft hij vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt.
4.2. De Raad stelt vast dat bestreden besluit 2 niet tegemoet komt aan het beroep van appellante tegen bestreden besluit 1. Gelet op de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid, van de Awb, wordt het beroep tegen bestreden besluit 1 dan ook geacht mede te zijn gericht tegen bestreden besluit 2 en om die reden in de beoordeling van de Raad betrokken.
5.1. Wat betreft het door appellante in hoger beroep aangevochten oordeel van de rechtbank omtrent de medische grondslag van bestreden besluit 1 ziet de Raad geen aanleiding daarover een ander oordeel te geven dan de rechtbank. De Raad is van oordeel dat de beperkingen van appellante door middel van een voldoende zorgvuldig medisch onderzoek zijn vastgesteld. De verzekeringsarts die op 27 december 2005 het medisch onderzoek heeft verricht, heeft appellante beperkt geacht ten aanzien van met name klachten van het bewegingsapparaat. De FML bevat beperkingen in de rubrieken aanpassing aan fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen en statische houdingen. Bezwaarverzekeringsarts Van Hooff heeft op 13 juni 2006 gerapporteerd dat hij zich kan verenigen met de medische grondslag waarop de primaire beslissing is gebaseerd. Naar aanleiding van de aangevallen uitspraak heeft bezwaarverzekeringsarts Van Hooff op
15 mei 2007 een reactie gegeven en appellante meer beperkt geacht ten aanzien van het aspect concentreren van de aandacht. Van Hooff heeft een nieuwe FML opgesteld. Van aanknopingspunten in objectief-medische zin op grond waarvan zou moeten worden aangenomen dat appellante ten tijde van de datum in geding meer beperkt was dan het Uwv heeft aangenomen, is de Raad niet gebleken.
5.2. Met betrekking tot de hoger beroepsgrond dat er sprake dient te zijn van een gedeeltelijke urenbeperking, wijst de Raad op de rapportage van bezwaarverzekeringsarts Van Hooff van 13 juni 2006, waarin onderbouwd is aangegeven dat er geen reden is voor het stellen van een urenbeperking en dat er geen sprake is van een medische behandeling waardoor appellante een substantieel deel van de dag niet beschikbaar zou zijn voor arbeid. De Raad is, met de rechtbank, van oordeel dat voor een urenbeperking geen plaats is, nu voor appellante beperkingen zijn aangenomen ten aanzien van fysiek zware arbeid en nekbelasting.
5.3. Het voorgaande leidt de Raad tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5.4. Nu tegen bestreden besluit 2 geen zelfstandige grieven zijn ingebracht, moet het beroep voor zover dat geacht moet worden te zijn gericht tegen bestreden besluit 2 ongegrond worden verklaard.
5.5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt. De beslissing is, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2009.