Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging herziening WAO-uitkering na beoordeling arbeidsbelasting monteur loopwerken
De zaak betreft een hoger beroep tegen de herziening van een WAO-uitkering waarbij de arbeidsongeschiktheid van betrokkene werd vastgesteld op 35 tot 45%, terwijl eerder een uitkering op basis van 80 tot 100% was toegekend.
De rechtbank had het bestreden besluit vernietigd omdat onvoldoende functies waren onderbouwd voor de arbeidsongeschiktheidsschatting, met name omdat de functie monteur loopwerken een zwaardere belasting inhield dan volgens de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) was toegestaan. De Centrale Raad van Beroep heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank bevestigd.
De Raad overwoog dat de interpretatie van de FML door het UWV niet strookt met de gebruikershandleiding, waardoor de belasting in de functie monteur loopwerken niet overeenkomt met de belastbaarheid van betrokkene. De Raad oordeelde dat de rechtbank terecht de functie monteur loopwerken ongeschikt heeft geacht en bevestigde daarmee de herziening van de WAO-uitkering.
Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van betrokkene en tot terugbetaling van het betaalde griffierecht. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 27 februari 2009.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering en wijst het hoger beroep van het UWV af.
Uitspraak
07/3363 WAO + 07/3696 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op de hoger beroepen van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
en
[Betrokkene], wonende te [woonplaats] (hierna: betrokkene),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 10 mei 2007, 06/4182 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
betrokkene
en
het Uwv.
Datum uitspraak: 27 februari 2009
I. PROCESVERLOOP
Beide partijen hebben hoger beroep ingesteld en van verweer gediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2009. Betrokkene is met schriftelijke kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.G. Lavrijsen.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een overzicht van de van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad in de eerste plaats naar hetgeen daaromtrent in de aangevallen uitspraak met juistheid door de rechtbank is weergegeven. De Raad vermeldt hier dat bij besluit op bezwaar van 8 september 2006 (het bestreden besluit) de eerder naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% aan betrokkene verleende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 9 september 2006 is herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak als haar oordeel gegeven dat aan de beroepsgronden niet een zodanig gewicht toekomt dat deswege zou moeten worden aangenomen dat de op de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) vermelde lichamelijke en geestelijke belastbaarheid van betrokkene in een voor dit geding relevante mate zou zijn overschat.
2.2. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van de arbeidsongeschiktheids-schatting heeft de rechtbank overwogen dat deze berust op een drietal bij rapport van 25 april 2007 door de bezwaararbeidsdeskundige, als zijnde voor betrokkene geschikt, gehandhaafde functies. De rechtbank heeft daarin met betrekking tot functies monteuse en productiemedewerker OEC-profielen de bezwaararbeidsdeskundige gevolgd. De functie monteur loopwerken is door de rechtbank niet geschikt geacht, omdat daarin 30 keer per uur een (handmatig gemonteerd) loopwerk van ongeveer 5 kg vanaf een montagetafel in een kar moet worden gelegd. De rechtbank heeft betrokkene daartoe niet in staat geacht, omdat dit een aanmerkelijk zwaardere belasting is dan volgens de FML is toegestaan, te weten 150 keer per uur lichte voorwerpen “van ruim 1 kg” kunnen hanteren.
2.3. De rechtbank heeft gelet hierop het bestreden besluit vernietigd, omdat onvoldoende functies aan de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid ten grondslag zijn gelegd. Zij heeft in de zaak zelf voorzien door te bepalen dat betrokkene met ingang van 9 september 2006 onverminderd aanspraak heeft op een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
3. Betrokkene heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen de medische grondslag van het bestreden besluit en het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de geschiktheid van twee van de drie functies. Het Uwv heeft zich gekeerd tegen de verwerping door de rechtbank van de functie monteur loopwerken.
4.1. De Raad ziet aanleiding eerst het hoger beroep van het Uwv te bespreken.
4.1.1. Het Uwv heeft bij beroepschrift erop gewezen dat in het rapport van 25 april 2007 van de bezwaararbeidsdeskundige R.E.T. Peters is vermeld dat betrokkene volgens item 4.15 van de FML frequent lichte voorwerpen kan hanteren tot 150 keer per uur, waarbij de definitie uitgaat van gewichten tot 5 kilogram. Daarom is er in de functie van monteur loopwerken geen overschrijding. Hetgeen in de FML van betrokkene staat vermeld, te weten dat het frequent lichte voorwerpen hanteren tijdens het werk beperkt is en dat betrokkene zo nodig tijdens elk uur van de werkdag ongeveer 150 keer voorwerpen van ruim 1 kg kan hanteren, staat er niet aan in de weg om betrokkene in staat te achten gewichten tot en met 5 kg te hanteren. Daarbij heeft het Uwv van belang geacht dat in de gebruikershandleiding CBBS voor verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen als interpretatiekader van item 4.15 is vermeld: “Het hanteren van voorwerpen van minder dan 500 gram blijft buiten beschouwing bij dit item. Dat geldt evenzeer voor het hanteren van voorwerpen van meer dan 5 kg.”
4.1.2. De Raad stelt vast dat in de (in beroep overgelegde, op 16 april 2007 aangepaste) FML bij item 4.15 de beperking van betrokkene met het cijfer 2 is aangegeven. Volgens de gebruikershandleiding betekent dit dat betrokkene zo nodig tijdens ongeveer een uur per werkdag frequent (waaronder volgens die handleiding wordt verstaan ongeveer 10 keer per minuut, dus ongeveer 600 keer per uur) voorwerpen van ruim 1 kg kan hanteren. In de FML wordt evenwel vermeld dat betrokkene zo nodig tijdens elk uur van de werkdag ongeveer 150 keer voorwerpen van ruim 1 kg kan hanteren. Deze wijze van invulling van de FML strookt derhalve niet met de gebruikershandleiding bij dit item en houdt ook een veel minder zware beperking in dan op grond van de vermelding van het cijfer 2 volgens de gebruikershandleiding is aangewezen. Reeds om deze reden is de Raad er niet van overtuigd kunnen raken dat de in de functie van monteur loopwerken voorkomende belasting van elk uur 100 tot 120 keer per uur voorwerpen tot 1 kg tillen en 30 keer per uur voorwerpen tot 5 kg tillen in overeenstemming is met de voor betrokkene geldende belastbaarheid.
4.2. De Raad overweegt met betrekking tot het hoger beroep van betrokkene dat hij het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de medische grondslag onderschrijft, behoudens, gelet op het hiervoor overwogene, voor zover deze de weergave van de belastbaarheid betreft met betrekking tot item 4.15 in de FML. Ook de gronden van betrokkene, gericht op de door de rechtbank aangenomen geschiktheid van de andere twee functies, ziet de Raad geen doel treffen.
5. Het hiervoor overwogene in aanmerking nemend, komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan betrokkene het betaalde griffierecht van € 106,- vergoedt;
Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een griffierecht van
€ 428,- wordt geheven.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en G. van der Wiel en G.J.H. Doornewaard als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2009.