AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging intrekking vervoersbeleid en toepassing vertrouwensbeginsel bij reiskostenvergoeding
Appellant, werkzaam bij de Belastingdienst, ontving in 2003 een reiskostenvergoeding voor woon-werkverkeer. In 2004 werd een nieuw Vervoersbeleid B/UG 2004 vastgesteld dat een hogere vergoeding mogelijk maakte, welke appellant met terugwerkende kracht ontving. Kort daarna werd dit beleid ingetrokken omdat het managementteam niet bevoegd was tot het vaststellen van afwijkend regionaal beleid.
Appellant maakte bezwaar tegen de verlaging van zijn vergoeding, maar dit werd ongegrond verklaard door de rechtbank. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad verwijst naar een eerdere uitspraak waarin de intrekking van het beleid als rechtmatig werd beoordeeld.
Appellant voerde aan dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden omdat een vergoeding voor fietsenstalling werd gehandhaafd terwijl de reiskostenvergoeding werd verlaagd. De Raad oordeelt dat deze vergoedingen verschillende achtergronden hebben en dat het handhaven van de fietsenstallingsvergoeding niet impliceert dat de reiskostenvergoeding gehandhaafd moet blijven.
De Raad stelt dat de staatssecretaris, met inachtneming van het vertrouwensbeginsel, volstond met het niet terugvorderen van de reeds toegekende vergoedingen over januari en februari 2004. Een verdere werking van het vertrouwensbeginsel is niet gerechtvaardigd. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking van het vervoersbeleid bevestigd.
Uitspraak
07/3519 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 mei 2007, 04/6126 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Staatssecretaris van Financiën (hierna: staatssecretaris)
Datum uitspraak: 19 februari 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door W.H. Bolderman, wonende te Amerongen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F. Scheffer, werkzaam bij het ministerie van Financiën.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.1. Appellant is sinds 1986 werkzaam bij de Belastingsdienst. Sinds 1992 was hij geplaatst bij de toenmalige Belastingdienst/Ondernemingen te Amersfoort, welke dienst per 1 januari 2003 behoort tot de Belastingdienst/Utrecht-Gooi (B/UG). Voor het woon-werkverkeer tussen Blaricum en Amersfoort, waarbij appellant gebruik maakt van zijn auto, ontving hij in 2003 een vergoeding van € 50,98 per maand.
1.2. Naar aanleiding van een wijziging van het Verplaatsingskostenbesluit 1989 (Vkb) per 1 januari 2004 heeft het managementteam B/UG, optredend namens de staatssecretaris, eind januari 2004 een intern Vervoersbeleid B/UG 2004 vastgesteld. Daaruit resulteerde een hogere vergoeding voor de kosten van woon-werkverkeer, indien er bij een reisduur van langer dan een uur enkele reis een tijdwinst van minimaal een half uur optrad wanneer men gebruik maakte van eigen vervoer in plaats van het openbaar vervoer.
1.3. Appellant heeft op 30 januari 2004 zo’n hogere vergoeding, die in zijn geval € 130,- per maand bedroeg, aangevraagd. Deze is hem met terugwerkende kracht tot 1 januari 2004 toegekend. De nabetaling over de maanden januari en februari 2004 geschiedde eind februari 2004.
1.4. Op 27 februari 2004 is door middel van een bericht op de regiosite aan het personeel meegedeeld dat het nieuwe Vervoersbeleid B/UG 2004 met ingang van 1 maart 2004 wordt ingetrokken. Als reden daarvoor is opgegeven dat de bevoegdheid tot het vaststellen van afwijkend regionaal beleid ontbreekt, terwijl bovendien een te ruime uitleg is gegeven aan het al dan niet doelmatig bereikbaar zijn van kantoor.
1.5. Het door appellant gemaakte bezwaar tegen het aldus tot € 32,50 verlaagde maandbedrag, zoals vermeld op zijn salarisspecificatie over de maand maart 2004, is bij het bestreden besluit van 29 oktober 2004 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad het volgende.
3.1. De Raad heeft in zijn, aan partijen bekende, uitspraak van 15 maart 2007, LJN BA1815, vastgesteld dat de ook toen in geding zijnde intrekking van het Vervoersbeleid B/UG 2004 in rechte houdbaar is. De Raad ziet geen aanleiding van die uitspraak terug te komen. Hetgeen appellant in dat kader heeft aangevoerd volgt de Raad dan ook niet.
3.2. Appellant heeft voorts gesteld dat er sprake is van strijd met het beginsel van het verbod van willekeur en het gelijkheidsbeginsel, nu de in het Vervoersbeleid B/UG 2004 neergelegde vergoeding van de kosten van de fietsenstalling in Utrecht aan medewerkers van de Belastingdienst die in Utrecht werkzaam zijn, na de intrekking van dat beleid in strijd met het Vkb wel is gehandhaafd. Appellant meent daarom dat ook de reiskostenvergoeding voor woon-werkverkeer had moeten worden gehandhaafd.
3.3. De staatssecretaris heeft toegelicht dat de vergoeding van die kosten van de fietsenstalling weliswaar in het Vervoersbeleid B/UG 2004 was neergelegd, maar dat een soortgelijke regeling al bestond bij de Belastingdienst/Particulieren Utrecht vóór de reorganisatie van de Belastingdienst per 2003. Daarna is die regeling gecontinueerd in de nieuwe organisatie B/UG. De staatssecretaris heeft voorts toegelicht dat die vergoeding haar bron vond in fiscale regelgeving en later in overleg met de ondernemingsraad in het Sociaalbeleid een plaats heeft gekregen. De tekstuele plaatsing in het Vervoersbeleid B/UG 2004 lag in de aard van het onderwerp. De regeling is na de intrekking van dat vervoersbeleid blijven voortleven in het kader van het sociaal beleid. In 2006 is de vergoeding stopgezet omdat deze strijdig werd geacht met het Vkb, aldus de staatssecretaris.
3.4. De Raad verwerpt het betoog van appellant dat ertoe moet leiden dat het handhaven van de kostenvergoeding van de fietsenstalling in Utrecht na de intrekking van het Vervoersbeleid B/UG 2004 de verplichting impliceert om de met de hogere regeling strijdige reiskostenvergoeding voor woon-werkverkeer met de auto ook te handhaven.
De Raad wijst er daarbij op dat met de wijziging van het Verplaatsingskostenbesluit per 1 januari 2004, waarbij uniform en rijksbreed vergoeding van het gebruik van de eigen auto voor woon-werkverkeer alleen nog mogelijk was als de werkplek niet met openbaar vervoer bereikbaar was, een verdere terugdringing van het autogebruik voor woon-werkverkeer werd beoogd, terwijl met de handhaving van de vergoeding voor de fietsenstalling kennelijk werd beoogd reeds bestaand gebruik van de milieuvriendelijke fiets te blijven stimuleren. Reeds vanwege het verschil in achtergrond kan niet met vrucht een beroep worden gedaan op het verbod van willekeur of op het gelijkheidsbeginsel om ondanks strijd met de hogere regeling, handhaving van de te hoge reiskostenvergoeding af te dwingen.
3.5. Onder verwijzing naar zijn onder 3.1 genoemde uitspraak, is de Raad van oordeel dat de staatssecretaris ook in de onderhavige situatie na het intrekken van het vervoersbeleid eind februari 2004 met inachtneming van het vertrouwensbeginsel kon volstaan met het niet terugvorderen van de tegemoetkoming die was verstrekt over de maanden januari en februari 2004. Hetgeen appellant in dit verband overigens heeft aangevoerd rechtvaardigt een verdergaande werking van het vertrouwensbeginsel niet.
3.6. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en K.J. Kraan als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2009.