ECLI:NL:CRVB:2009:BH4905

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-5597 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens afgenomen arbeidsongeschiktheid

Appellante maakte bezwaar tegen de intrekking van haar WAO-uitkering door het UWV, welke was gebaseerd op een vermindering van haar arbeidsongeschiktheid tot minder dan 15%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat de medische onderzoeken zorgvuldig waren uitgevoerd en dat de vastgestelde beperkingen geen volledige arbeidsongeschiktheid rechtvaardigden.

In hoger beroep herhaalde appellante haar stelling dat haar psychische klachten haar verhinderen loonvormende arbeid te verrichten, en verzocht zij om benoeming van een onafhankelijke deskundige. Het UWV verwees naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts en stelde dat er geen nieuwe medische feiten waren die het eerdere oordeel konden wijzigen.

De Raad concludeerde dat de aangevoerde argumenten geen nieuw licht wierpen op de zaak en dat de rechtbank terecht geen onafhankelijke deskundige had benoemd vanwege het ontbreken van twijfel aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek. Gelet op de medische beperkingen was appellante in staat de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies te vervullen.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verwierp het hoger beroep van appellante. Tevens zag de Raad geen aanleiding tot toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat appellante in staat was de voorgelegde functies te vervullen.

Uitspraak

07/5597 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 24 augustus 2007, 06/2448 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 4 maart 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.C. Cornelisse, advocaat te Apeldoorn, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapport van de bezwaarverzekeringsarts P.A.E.M. Hofmans van 21 november 2007 ingezonden.
Bij brief van 19 december 2008 heeft het Uwv een vraagstelling van de Raad beantwoord.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2009. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E. van den Brink.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.
1.2. Bij besluit van 28 maart 2006, gehandhaafd bij besluit op bezwaar van 12 oktober 2006 (hierna: het bestreden besluit), heeft het Uwv appellantes uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 29 mei 2006 ingetrokken, op de grond dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante is afgenomen naar minder dan 15%.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden om de vanwege het Uwv ingestelde medische onderzoeken niet voldoende zorgvuldig te achten en de daarop gebaseerde conclusies onjuist te achten. Naar het oordeel van de rechtbank betekent de bij appellante vastgestelde, zogeheten GAF-score van 50 op zich niet dat zij niet in staat is tot loonvormende arbeid. Ook het enkele feit dat appellante lijdende zou zijn aan een therapieresistente vorm van een depressie brengt niet met zich dat appellante arbeidsongeschikt is dan wel dat er voor haar een urenbeperking moet worden aangenomen. Dat appellante een op reactivering gerichte behandeling volgde, kon hieraan ook niet afdoen, aangezien appellante die behandeling in de door het Uwv beoordeelde periode (nog) niet volgde. De rechtbank heeft tot slot het in het bestreden besluit vervatte standpunt dat appellante in staat is tot het vervullen van de voor haar geselecteerde functies, onderschreven.
3. In hoger beroep heeft appellante herhaald dat haar (psychische) klachten haar verhinderen loonvormende arbeid te verrichten. Ter ondersteuning van haar betoog heeft appellante gewezen op een verklaring van haar huisarts van 14 september 2007 en een schrijven van de psychiater S. van der Sluijs-Heij van 10 september 2007. Appellante betoogt daarnaast dat de rechtbank ten onrechte ervan heeft afgezien om een eigen deskundige te benoemen. Appellante heeft de Raad tot slot verzocht zelf over te gaan tot de benoeming van een deskundige.
4. Het Uwv heeft zich onder verwijzing naar het in rubriek I genoemde rapport van de bezwaarverzekeringsarts Hofmans van 21 november 2007 op het standpunt gesteld dat de onder 3 genoemde medische stukken geen nieuw licht werpen op de zaak. Het Uwv heeft de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
5.1. De Raad ziet het hoger beroep niet slagen. De Raad kan zich met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten gronde liggende overwegingen. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, bevat, in vergelijking met haar stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank.
5.2. De Raad volgt appellante niet in haar betoog dat de rechtbank een onafhankelijke medische specialist als deskundige had moeten inschakelen alvorens tot haar eindoordeel te komen. De rechtbank was niet gehouden een zodanig onderzoek in te stellen bij gebrek aan de daarvoor vereiste twijfel aan de zorgvuldigheid en juistheid van het medisch onderzoek van het Uwv. De Raad ziet evenmin aanleiding om zelf een medisch deskundige te benoemen.
5.3. Aldus uitgaande van de juistheid van de door het Uwv aangenomen beperkingen bij appellante ten aanzien van het verrichten van arbeid is de Raad ten slotte van oordeel dat de beschikbare gegevens voldoende steun bieden aan de opvatting van het Uwv dat appellante op de datum in geding, gelet op haar medische beperkingen, in staat was de haar door de (bezwaar)arbeidsdeskundige voorgehouden functies te vervullen.
5.4. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Bolt als voorzitter en C.P.M. van de Kerkhof en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2009.
(get.) H. Bolt
(get.) I.R.A. van Raaij.
TM