ECLI:NL:CRVB:2009:BH5148

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-5555 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging intrekkingsbesluit WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering

Appellante ontving sinds 1998 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Het UWV trok deze uitkering per 1 november 2005 in, omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zij het deskundigenadvies van psychiater Van Eyk volgde.

In hoger beroep betwist appellante deze beslissing en stelt dat de visie van haar eigen behandelend psychiater gevolgd had moeten worden. Het UWV onderbouwde dat appellante met de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) in staat is de geduide functies uit te oefenen. De Raad overweegt dat het oordeel van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige in beginsel gevolgd moet worden, tenzij bijzondere omstandigheden dit verhinderen.

De Raad concludeert dat de deskundige zorgvuldig en concludent tot zijn advies is gekomen en dat geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken om hiervan af te wijken. Het besluit van de rechtbank wordt vernietigd omdat het oorspronkelijke besluit onvoldoende gemotiveerd was, maar de rechtsgevolgen van het intrekkingsbesluit blijven in stand omdat de motivering in hoger beroep voldoende is aangevuld.

De Raad veroordeelt het UWV tot betaling van de proceskosten van appellante en vergoedt het betaalde griffierecht. De uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet en in aanwezigheid van griffier A.C. Palmboom op 6 maart 2009 uitgesproken.

Uitkomst: De aangevallen uitspraak en het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering worden vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het intrekkingsbesluit blijven in stand.

Uitspraak

07/5555 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 28 augustus 2007, 06/1120 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 6 maart 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.F.J. Witlox, advocaat te ’s-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 23 januari 2009. Appellante en haar gemachtigde zijn niet verschenen en hebben de Raad daarvan tevoren op de hoogte gesteld. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank hieromtrent met juistheid in de aangevallen uitspraak heeft overwogen. Hier volstaat de Raad met het volgende.
1.2. Appellante ontving sinds 13 januari 1998 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
1.3. Bij besluit van 20 september 2005 heeft het Uwv per 1 november 2005 de WAO-uitkering van appellante ingetrokken, omdat zij voor minder dan 15% arbeidsongeschikt in de zin van de WAO moet worden geacht. Bij besluit van 20 januari 2006 zijn de bezwaren van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard. Aan de intrekking van de uitkering ligt ten grondslag dat appellante weer in staat wordt geacht om met haar beperkingen in voor haar geschikte gangbare functies een zodanig inkomen te verwerven, dat haar mate van arbeidsongeschiktheid is afgenomen naar minder dan 15%.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 20 januari 2006 ongegrond verklaard. De rechtbank kan zich blijkens de overwegingen van de aangevallen uitspraak verenigen met de medische en de arbeidskundige grondslag van het besluit. De rechtbank heeft zich daarbij vooral gebaseerd op een op haar verzoek op 8 november 2006 uitgebracht deskundigenadvies door de psychiater B.J. van Eyk.
3.1. Het hoger beroep richt zich tegen de beslissing van de rechtbank om het intrekkingbesluit in stand te laten. Appellante is van mening dat niet de visie van de deskundige Van Eyk, doch die van haar behandelend psychiater Y. Güzelcan gevolgd had moeten worden.
3.2. Het Uwv is van oordeel dat de rechtbank terecht haar deskundige heeft gevolgd. Door het overleggen van een aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) zonder zogenoemde verborgen beperkingen en van een nadere rapportage van haar bezwaararbeidsdeskundige heeft het Uwv voorts nog nader onderbouwd dat appellante in staat moet worden geacht met haar beperkingen de haar geduide functies te verrichten. Ter zitting is namens het Uwv in dit verband gesteld dat met overlegging van deze stukken het intrekkingsbesluit voldoende is gemotiveerd en dat dat voor de Raad aanleiding dient te zijn de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Zoals het Uwv bij verweer juist heeft aangegeven dient de bestuursrechter volgens de vaste jurisprudentie van de Raad, in beginsel het oordeel van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige te volgen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding vormen van het advies van de deskundige af te wijken. In dit geval had de psychiater Van Eyk de beschikking over de informatie van de appellante behandelende psychiater Güzelcan. De deskundige deelt echter niet de visie van deze psychiater, maar is van mening dat appellante niet op grond van objectieve afwijkingen, die het gevolg zijn van een ziekte of gebrek, buiten staat is arbeid te verrichten. De deskundige kan instemmen met de beperkingen van appellante zoals die door de (bezwaar)verzekeringsartsen zijn geformuleerd en acht appellante in staat de geduide functies uit te oefenen. De Raad is van oordeel dat uit zijn rapport blijkt dat de deskundige op zorgvuldige en concludente wijze tot zijn advies is gekomen. Van bijzondere omstandigheden die aanleiding hadden moeten vormen om van dat advies af te wijken is niet gebleken. De rechtbank heeft dit advies terecht gevolgd.
4.2. Op basis van de gedingstukken, waaronder de door het Uwv in hoger beroep overgelegde FML en de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige, is de Raad voorts van oordeel dat door het Uwv voldoende overtuigend is onderbouwd, dat appellante met de voor haar in de FML opgenomen beperkingen in staat moet worden geacht de geduide functies uit te oefenen.
4.3. Gelet ook op hetgeen hieromtrent namens het Uwv is aangevoerd, is de Raad wel van oordeel dat eerst door het overleggen in hoger beroep van de genoemde rapportages het intrekkingsbesluit deugdelijk is gemotiveerd.
5. Het vorenoverwogene leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Het beroep is gegrond en het besluit van 20 januari 2006 zal worden vernietigd, omdat dat niet berust op een deugdelijke motivering. Nu die motivering in hoger beroep voldoende is aangevuld, ziet de Raad echter aanleiding de rechtsgevolgen van het genoemde besluit geheel in stand te laten.
6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. Deze worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 20 januari 2006;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 20 januari 2006 in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 644, - te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 143, - vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op
6 maart 2009.
(get.) A.T. de Kwaasteniet.
(get.) A.C. Palmboom.
KR