ECLI:NL:CRVB:2009:BH5156

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-4945 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:88 AwbArt. 21 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot herziening van uitspraak inzake weigering WAO-uitkering

Verzoekster heeft bij de Centrale Raad van Beroep verzocht om herziening van een eerdere uitspraak waarin haar verzoek om een WAO-uitkering werd afgewezen. Zij stelde dat het medische onderzoek niet zorgvuldig was geweest en overwoog dat zij niet geschikt zou zijn voor de functies waarop de beoordeling was gebaseerd. Tevens klaagde zij over het gedrag van de bezwaarverzekeringsarts tijdens de hoorzitting.

De Raad overwoog dat verzoekster geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd die rechtvaardigen dat de uitspraak wordt herzien. De informatie van de behandelend chirurg was destijds reeds ingebracht en meegenomen in de beoordeling. Ook was de geschiktheid voor de functies uitvoerig besproken in de eerdere procedure. Klachten over de bejegening van de arts vallen buiten het bestreden geschil en dienen bij het UWV te worden ingediend.

Gelet op het voorgaande werd het verzoek om herziening afgewezen. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door A.T. de Kwaasteniet en uitgesproken op 6 maart 2009.

Uitkomst: Het verzoek om herziening van de eerdere uitspraak wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

07/4945 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht op het verzoek van herziening van:
[Verzoekster], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoekster),
van de uitspraak van de Raad van 11 mei 2007, 04/6205 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
verzoekster
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 6 maart 2009
I. PROCESVERLOOP
Verzoekster heeft verzocht om herziening van de aangevallen uitspraak.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2009. Verzoekster is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Vork.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de Raad beslist op het hoger beroep van verzoekster tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 11 oktober 2004, 04/299. In het geding dat tot deze uitspraak van de rechtbank heeft geleid ging het om de weigering verzoekster met ingang van 13 juli 2003 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering toe te kennen. Bij de aangevallen uitspraak heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
2. Met het verzoek om herziening is beoogd dat de Raad op zijn aangevallen uitspraak terugkomt. Verzoekster is van mening dat het medisch onderzoek destijds niet zorgvuldig is geweest en heeft in dat verband een verklaring van haar behandelend traumachirurg E.J.M. Smit overgelegd, waarin deze stelt dat de bezwaarsverzekeringsarts R.M. de Vink nooit contact heeft opgenomen met deze chirurg. Voorts acht verzoekster herziening van de aangevallen uitspraak aangewezen omdat zij zich niet geschikt acht voor een aantal functies die destijds aan de schatting ten grondslag zijn gelegd. Daarbij heeft zij onder meer naar voren gebracht dat zij niet voldoet aan het vereiste opleidingsniveau van een aantal functies. Bovendien heeft zij zich beklaagd over het gedrag van de bezwaarverzekeringsarts tijdens de op 1 oktober 2003 gehouden hoorzitting.
3.1. Ingevolge artikel 21 van Pro de Beroepswet in samenhang met artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een onherroepelijk geworden uitspraak van de Raad, op verzoek van een partij, worden herzien op grond van de feiten en omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij de Raad eerder bekend geweest, tot een nadere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.Volgens vaste rechtspraak van de Raad is het bijzondere middel van herziening niet gegeven om, anders dan op grond van enig feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie over het in de uitspraak beslechte geschil of over de uitspraak zelf te openen.
3.2. Het verzoek om herziening dient te worden afgewezen, nu verzoekster geen feiten of omstandigheden in voormelde zin naar voren heeft gebracht. Destijds had verzoekster ook naar voren kunnen brengen dat de bezwaarverzekeringsarts De Vink geen contact heeft gehad met de chirurg Smit. Bovendien wijzen de gedingstukken uit dat van de zijde van verzoekster destijds reeds informatie is ingebracht van de chirurg Smit en dat deze informatie ook door de bezwaarverzekeringsarts De Vink in zijn beoordeling is betrokken. Voorts stelt de Raad vast dat in de aangevallen uitspraak de geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies uitvoerig aan de orde is geweest waarbij mede aandacht is geschonken aan de vraag of verzoekster voldeed aan het voor deze functies vereiste opleidingsniveau. Daarbij is de Raad tot de conclusie gekomen dat verzoekster in staat moet zijn, ook qua opleidingsniveau, om deze functies uit te oefenen.
3.3. Ten aanzien van de klacht van verzoekster over de wijze waarop de bezwaarverzekeringsarts haar heeft bejegend, overweegt de Raad dat dit geen onderwerp van het onderhavige geding kan vormen. Daarvoor dient zij zich te wenden tot het Uwv.
3.4. Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat het verzoek om herziening dient te worden afgewezen.
4. Voor een proceskostenvergoeding ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2009.
(get.) A.T. de Kwaasteniet.
(get.) A.C. Palmboom.
JL