ECLI:NL:CRVB:2009:BH5170

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-4710 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering na zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek

Appellant ging in hoger beroep tegen de intrekking van zijn WAO-uitkering per 24 april 2006 door het UWV. De rechtbank had het bezwaar van appellant ongegrond verklaard, maar het besluit vernietigd vanwege onvoldoende motivering van de geschiktheid voor de geduide functies. In hoger beroep betoogde appellant dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onvolledig en onzorgvuldig was en dat de functies te belastend waren.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het UWV een zorgvuldig onderzoek heeft uitgevoerd, waarbij ook informatie van de huisarts en psychiater van appellant is meegewogen. De Raad ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van de vastgestelde beperkingen. De behandeling van depressiviteit was ruim voor de datum van het besluit afgerond, waardoor verdere beperkingen niet aannemelijk zijn.

Ook is er geen reden om aan te nemen dat de geselecteerde functies niet passend zijn voor appellant. De Raad bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank voor zover aangevochten en wijst het hoger beroep af. Er worden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd na een zorgvuldig en volledig verzekeringsgeneeskundig onderzoek.

Uitspraak

07/4710 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 27 juli 2007, 06/2210 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).
Datum uitspraak: 6 maart 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. N.E. van Uitert, advocaat te Leeuwarden, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2009, waar zijdens appellant met voorafgaand bericht niemand is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.H.M.A. Swarts.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in de aangevallen uitspraak heeft weergegeven. De Raad volstaat met de vermelding dat het Uwv bij besluit op bezwaar van 31 augustus 2006 (hierna: bestreden besluit) ongegrond heeft verklaard het namens appellant gemaakte bezwaar tegen de beslissing van 23 februari 2006, waarbij zijn uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) per 24 april 2006 is ingetrokken.
2. De rechtbank heeft, samengevat weergegeven, geoordeeld dat de door de verzekeringsarts P.J. English-Bijlsma in de Functionele mogelijkhedenlijst (FML) opgenomen mogelijkheden en beperkingen, die door bezwaarverzekeringsarts L. Zwemer zijn bevestigd, op een deugdelijke medische grondslag berusten. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv afdoende de geschiktheid van appellant om de geduide functies te vervullen heeft gemotiveerd, maar het bestreden besluit onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd met instandlating van de rechtsgevolgen. Dit omdat de motivering van de geschiktheid van de door arbeidsdeskundige J. Eerhart geselecteerde functies pas in beroep door de bezwaararbeidsdeskundige J. Langius is gegeven.
3. In hoger beroep heeft appellants gemachtigde, onder verwijzing naar de gronden in beroep zoals ook weergegeven in de pleitaantekeningen bij de rechtbank, herhaald dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onvolledig en onzorgvuldig is geschied en dat de geduide functies te belastend zijn voor appellant.
4.1. De Raad is van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek van het Uwv zorgvuldig is geweest en ziet met de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van de bij appellant vastgestelde beperkingen. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat informatie van appellants huisarts M. ten Hoeve-Lafeber en van de psychiater H. van der Pol, die hem jarenlang heeft behandeld, is meegewogen. Voor wat betreft de geclaimde voortdurende depressiviteit stelt de Raad vast dat behandeling daarvoor ruim voor de datum hier in geding is afgerond. Nu appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat met verdergaande beperkingen in de FML rekening gehouden dient te worden, is naar het oordeel van de Raad de medische grondslag van het bestreden besluit juist te achten.
4.2. Voor wat betreft de motivering van de bij deze schatting geduide functies, heeft de Raad evenals de rechtbank geen aanknopingspunten gevonden om ervan uit te gaan dat de in aanmerking genomen functies niet passend zouden zijn voor appellant.
5. Het vorenstaande betekent dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten dient te worden bevestigd.
6. Er bestaan geen termen voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op
6 maart 2009.
(get.) A.T. Kwaasteniet.
(get.) A.C. Palmboom.
JL