AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging besluit UWV over eerste arbeidsongeschiktheidsdag en toekenning WAO-uitkering
Appellant had een WAO-uitkering toegekend gekregen met ingang van 28 februari 2002, met als eerste arbeidsongeschiktheidsdag 1 maart 2001. Hij stelde echter dat zijn arbeidsongeschiktheid al op 23 november 1999 was begonnen en verzocht om vervroeging van die datum. Het UWV weigerde terug te komen op het eerdere besluit en handhaafde de oorspronkelijke datum. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het verzoek van appellant niet als herhaalde aanvraag kon worden gezien, maar als een nieuwe aanvraag met betrekking tot een eerder gelegen eerste arbeidsongeschiktheidsdag die nog niet was beoordeeld door het UWV. Het besluit van het UWV was inadequaat gemotiveerd en voorbereid, waardoor het niet in stand kon blijven. De Raad vernietigde het besluit en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moet nemen.
Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn in zowel de bestuurlijke als rechterlijke fase was overschreden, met een totaal van ruim vijf jaar verstreken sinds het bezwaar. De Raad besloot het onderzoek te heropenen voor een nadere uitspraak over de gevraagde schadevergoeding wegens deze termijnoverschrijding, waarbij ook de Staat der Nederlanden als partij werd aangemerkt.
Tot slot veroordeelde de Raad het UWV in de proceskosten van appellant en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan appellant wordt vergoed.
Uitkomst: Het besluit van het UWV wordt vernietigd en het beroep wordt gegrond verklaard met opdracht tot een nieuw besluit en heropening van het onderzoek naar schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.
Uitspraak
06/5878 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 4 september 2006, 04/1679 (hierna: de aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 27 februari 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 27 juni 2008. Appellant is in persoon verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Vork.
Naar aanleiding van het verhandelde ter zitting heeft de Raad het onderzoek heropend.
Met toestemming van beide partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
II. OVERWEGINGEN
1. Het inleidende beroep is gericht tegen het besluit van 19 juli 2004 ter uitvoering van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), waarbij het Uwv heeft gehandhaafd zijn weigering van 28 augustus 2003 terug te komen van zijn besluit van 11 april 2002. Bij dat laatste besluit is appellant met ingang van 28 februari 2002 een WAO-uitkering toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100% en een dagloon van € 43,-. Hierbij is uitgegaan van 1 maart 2001 als de eerste arbeids-ongeschiktheidsdag.
2. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
3. De Raad gaat uit van de feiten zoals deze door de rechtbank, niet bestreden door partijen, zijn vastgesteld.
4. Appellant heeft aangevoerd dat hij vanaf 23 november 1999 doorlopend arbeidsongeschikt is geweest en dat hij om medische redenen in de loop van 2000 de omvang van zijn arbeid van 29 uren per week tot 20 uren per week heeft teruggebracht. Ter onderbouwing van zijn stelling met betrekking tot het eerdere ontstaan van arbeidsongeschiktheid beroept appellant zich op het in opdracht van de rechtbank door de oogarts N.M. Tymes uit Amsterdam als deskundige opgestelde rapport. Het Uwv heeft de door de deskundige getrokken conclusies gemotiveerd bestreden. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak de conclusies van de door haar geraadpleegde deskundige niet overgenomen.
5.1. Tegen het besluit van 11 april 2002 is geen rechtsmiddel aangewend, zodat dit besluit in rechte onaantastbaar geworden is. Het Uwv heeft het thans aan de orde zijnde verzoek zo opgevat dat het ertoe strekt dat hij in het voordeel van appellant van dit eerdere besluit terugkomt.
5.2. De Raad stelt allereerst vast dat bij de voorbereiding van het besluit van 11 april 2002 niet, althans niet kenbaar, mede is betrokken een eerder moment of een eerdere periode van arbeidsongeschiktheid, in het bijzonder niet de thans aan de orde gestelde datum 23 november 1999.
5.3. Toepassing van artikel 4:6 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de onderhavige situatie acht de Raad niet juist omdat, zoals hij hiervoor heeft vastgesteld, niet kan worden gezegd dat bij het besluit van 11 april 2002 over een eerdere datum reeds is beslist. Uit de gedingstukken kan worden afgeleid dat de datum 23 november 1999, waarop arbeidsongeschiktheid zou zijn ingetreden, eerst in beeld is gekomen in een telefonisch contact tussen appellant en de bedrijfsarts Bonekamp op 19 november 2002. Vervolgens heeft appellant bij brief van 30 december 2002 verzocht zijn 1e ziektedag te vervroegen. De Raad is van oordeel dat hier geen sprake is van een herhaalde aanvraag, maar van een nieuwe aanvraag. Immers de tweede aanvraag heeft betrekking op een eerder gelegen eerste arbeidsongeschiktheidsdag dan waar het Uwv tot dan toe vanuit ging, welke datum nog niet door het Uwv was beoordeeld. De situatie als bedoeld in artikel 4:6 vanPro de Awb deed zich hier dan ook niet voor.
5.4. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit wat betreft motivering en voorbereiding een zodanig inadequate reactie op het verzoek van appellant is dat het, evenals de aangevallen uitspraak, niet in stand kan blijven.
5.5. Ter voorlichting van appellant merkt de Raad nog op dat dit oordeel niet meebrengt dat hij thans met ingang van de door hem genoemde datum een gelijk recht op uitkering ingevolge de WAO zal kunnen doen gelden, zoals hij dat ingevolge het besluit van 11 april 2002 met ingang van 28 februari 2002 genoot, maar wel dat het Uwv hierover nog een nieuw besluit dient te nemen.
6.1. Appellants gemachtigde heeft ten slotte de Raad bij brief van 28 januari 2009 verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
6.2. De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant.
6.3. Vanaf de ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift van appellant op 9 december 2003 tot de datum van deze uitspraak zijn ruim vijf jaar verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv iets meer dan zeven maanden geduurd, heeft de behandeling van het beroep bij de rechtbank vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 30 augustus 2004 tot de uitspraak op 4 september 2006 ruim twee jaar geduurd, en heeft de behandeling van het hoger beroep door de Raad vanaf de ontvangst van het hoger beroepschrift op 11 oktober 2006 tot de datum van deze uitspraak, ook ruim twee jaar geduurd. Aan deze vaststelling kan het vermoeden worden ontleend dat de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase is geschonden.
6.4. De Raad verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure, voor zover nodig met verdragsconforme toepassing van artikel 8:73 vanPro de Awb, moet worden beslist omtrent appellants verzoek om schadevergoeding met betrekking tot de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn zowel in de bestuurlijke als in de rechterlijke fase. Dit geeft aanleiding om het onderzoek te heropenen. Met verdragsconforme toepassing van artikel 8:26 vanPro de Awb merkt de Raad daarbij naast het Uwv de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure.
7. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 vanPro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep. Deze kosten worden begroot op € 805,- voor verleende rechtsbijstand, en € 24,30 aan reiskosten in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Bepaalt dat het onderzoek onder de nummers 09/946 en 09/947 wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de gevraagde schadevergoeding in verband met mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, en merkt de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie) aan als partij in die procedure;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 829,30, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde griffierecht van € 142,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en R.C. Stam en
J. Riphagen als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2009.