ECLI:NL:CRVB:2009:BH5220

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-4092 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.C.M. van Laar
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:18 AwbArt. 6:19 AwbArt. 8:75 AwbZiektewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking Ziektewet-uitkering wegens ontbreken relevante psychiatrische stoornis

Appellant heeft zich ziek gemeld na een incident in juli 2004 en werd behandeld door psychiater De Burlet. Het UWV besloot op basis van medische rapportages dat appellant vanaf 20 maart 2006 weer in staat was zijn werk te verrichten en trok de Ziektewet-uitkering in. Appellant betwistte deze beslissing en overwoog dat er nog sprake was van een psychiatrische stoornis, onderbouwd met een rapportage van psychiater Hertroijs uit november 2008.

De Raad beoordeelde de medische stukken, waaronder verklaringen van de behandelend psychiater, de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts. Deze concludeerden dat er geen relevante psychiatrische stoornis meer aanwezig was en dat appellant niet meer ongeschikt was voor de arbeid. De Raad vond onvoldoende aanknopingspunten in de latere rapportage om het standpunt van het UWV te betwijfelen.

De Raad achtte dat appellant vanaf 20 maart 2006 weer in staat was om 40 uur per week als makelaar te werken en bevestigde daarmee het besluit van het UWV om het recht op ziekengeld te beëindigen. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De uitspraak van de rechtbank Haarlem werd bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant vanaf 20 maart 2006 niet meer ongeschikt is voor zijn werk en intrekt het recht op ziekengeld.

Uitspraak

07/4092 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 4 juni 2007, 06/6857
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 4 maart 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.A.E. Bol, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 december 2008. Voor appellant is verschenen mr. Bol. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.
1.2. Bij besluit van 5 juli 2006 heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van
21 februari 2006, waarbij is bepaald dat appellant met ingang van 1 maart 2006 geen recht heeft op ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW), gegrond verklaard en overwogen dat appellant met ingang van 18 maart 2006 (weer) in staat wordt geacht zijn arbeid te verrichten.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 5 juli 2006 niet-ontvankelijk verklaard en het besluit van 24 november 2006, waarbij het Uwv het besluit van 5 juli 2006 heeft gewijzigd met dien verstande dat appellant met ingang van 20 maart 2006 weer in staat moet worden geacht zijn eigen werk te verrichten, onder toepassing van artikel 6:18 in Pro samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in haar beoordeling betrokken.
3. Appellant heeft bestreden dat hij met ingang van 20 maart 2006 weer in staat moet worden geacht zijn werk als makelaar te verrichten. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de informatie van 25 augustus 2005 van psychiater H. de Burlet onvoldoende duidelijkheid geeft om vast te stellen dat geen sprake is van een psychiatrisch ziektebeeld. Ter onderbouwing heeft appellant een psychiatrische rapportage overgelegd naar aanleiding van een onderzoek op 11 november 2008 van psychiater A.R. Hertroijs.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. Appellant heeft zich op 31 december 2004 ziek gemeld naar aanleiding van een incident dat heeft plaatsgevonden op 12 juli 2004, waarna hij bij psychiater H. de Burlet onder behandeling is gekomen. De verzekeringsarts D. Baartse heeft naar aanleiding van een uitgebreide anamnese op het spreekuur van 17 februari 2006 en aan de hand van een verklaring van 25 augustus 2005 van de behandelend psychiater De Burlet, waarin deze heeft aangegeven dat in engere zin geen sprake lijkt te zijn van een psychiatrisch beeld, geconcludeerd dat er geen sprake (meer) is van een relevante psychiatrische stoornis en dat appellant begin maart 2006 niet meer op medische gronden ongeschikt was voor de maatgevende arbeid. De bezwaarverzekeringsarts W. Ebbelaar heeft deze conclusie na een telefonische hoorzitting en dossieronderzoek, waarbij Ebbelaar ook de beschikking had over informatie van de huisarts, onderschreven. De Raad ziet, gelet op de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 28 november 2008, in de overgelegde rapportage van psychiater Hertroijs onvoldoende aanknopingspunten voor twijfel aan het standpunt van het Uwv. Daarbij tekent de Raad aan dat Ebbelaar erop wijst dat zowel in de opgevraagde informatie van de behandelend psychiater De Burlet als in de rapportage van psychiater Hertroijs wordt aangegeven dat er reële redenen zijn voor angst, maar de behandelend psychiater kort na het incident geen psychiatrische diagnose heeft gesteld. Er is derhalve geen aanleiding om te concluderen dat sprake is van een agorafobie, aldus de bezwaarverzekeringsarts. Voorts heeft De Burlet in een brief van 20 september 2006 meegedeeld dat hij appellant voor het laatst heeft gezien op 9 februari 2006 en dat hij ten opzichte van de bevindingen in de brief van 25 augustus 2005 geen nieuwe feiten heeft te melden. Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat niet is komen vast te staan dat appellant op de datum hier in geding, 20 maart 2006, buiten staat was om zijn werk als makelaar voor 40 uur in de week te verrichten.
5. Hetgeen onder 4.2 is overwogen leidt tot de conclusie dat het Uwv op juiste gronden heeft geoordeeld dat appellant met ingang van 20 maart 2006 geen recht meer heeft ziekengeld.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M. van der Vos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2009.
(get.) M.C.M. van Laar.
(get.) M. van der Vos.
KR