ECLI:NL:CRVB:2009:BH5228

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-4712 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering ondanks bezwaar appellant

Appellant maakte bezwaar tegen de herziening van zijn WAO-uitkering door het Uwv, waarbij zijn arbeidsongeschiktheidspercentage werd verlaagd van 65-80% naar 35-45%, later bij bezwaar vastgesteld op 45-55%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat het Uwv haar beslissing baseerde op een functionele mogelijkhedenlijst opgesteld door een verzekeringsarts en dossieronderzoek.

In hoger beroep betoogde appellant dat de keuring onjuist was en dat de urenbeperking van 30 uur per week ten onrechte was komen te vervallen. Ter zitting werd zijn standpunt ondersteund door zijn masseur, die zijn beperkingen bevestigde. Het Uwv verwees naar eerdere medische gegevens en vroeg bevestiging van de uitspraak.

De Raad oordeelde dat de beschikbare medische gegevens voldoende waren om een verantwoord oordeel te geven en dat appellant ondanks zijn beperkingen in staat was de voorgestelde functies te vervullen. De niet-medisch onderbouwde mening van appellant en zijn masseur werd niet zwaarwegend geacht. De Raad zag geen reden om de uitspraak van de rechtbank te herzien en bevestigde deze.

De Raad vond geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en wees het beroep van appellant af.

Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering wordt bevestigd en het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

07/4712 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 29 juni 2007, 06/851 (hierna: de aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).
Datum uitspraak: 6 maart 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2009. Appellant is verschenen, in gezelschap van zijn masseur [naam masseur]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.Z. Groenenberg.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat thans met het volgende.
2. Bij besluit van 27 februari 2006 heeft het Uwv de aan appellant toegekende uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke sinds 15 maart 2001 werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot 80%, met ingang van 24 april 2006 herzien en nader berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Bij nader besluit op bezwaar van 28 september 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv hangende de beroepsprocedure bij de rechtbank het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 februari (alsnog) gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid nader vastgesteld en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.
3. De rechtbank heeft het beroep van appellant, voor zover dat was gericht tegen het bestreden besluit, ongegrond verklaard. Op geleide van de beroepsgronden heeft de rechtbank daartoe overwogen dat het Uwv de schatting terecht heeft gebaseerd op de door de verzekeringsarts J.J. Bouman opgestelde Functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 21 februari 2006 waarop de belastbaarheid van appellant is vastgelegd. Bij de bespreking van de grief dat de bezwaarverzekeringsarts T.J.A. Boel appellant niet lichamelijk heeft onderzocht maar heeft volstaan met dossieronderzoek, heeft zij gewezen op ’s-Raads vaste jurisprudentie ter zake. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden om aan de resultaten van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek te twijfelen. Ditzelfde geldt voor de conclusie van het Uwv dat er geen aanleiding (meer) bestaat voor een urenbeperking.
4.1. In dit geding is aan de orde of de rechtbank terecht en op goede gronden het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond heeft verklaard, nu appellant daarvan in hoger beroep is gekomen. De Raad beantwoordt die vraag bevestigend.
4.2. In hoger beroep heeft appellant aangegeven zich niet te kunnen vinden in het oordeel van de rechtbank, omdat hij het oneens blijft met de wijze waarop de keuring heeft plaatsgevonden, en voorts met het feit dat de voorheen voor hem geldende urenbeperking van 30 uur per week niet is gehandhaafd, zodat hij per 24 april 2006 geschikt wordt geacht om fulltime te kunnen werken.
4.3. Ter zitting van de Raad heeft appellant nogmaals uiteengezet welke beperkingen hij in het dagelijks leven ondervindt, daarin gesteund door zijn masseur voornoemd, die met de problematiek uit de ervaring van zijn praktijk breed bekend is. Het Uwv heeft bij verweerschrift en ter zitting verwezen naar al hetgeen eerder in de procedure is ingebracht en de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
5.1. De Raad is van oordeel dat de beschikbare gegevens voldoende informatie bevatten omtrent de gezondheidstoestand van appellant op de in geding zijnde datum om tot een verantwoord oordeel te komen en dat zij voldoende steun bieden aan de opvatting van het Uwv dat appellant op de datum in geding, gelet op zijn medische beperkingen, in staat was de hem door de arbeidsdeskundige voorgehouden functies te vervullen.Aan de eigen, niet met medische gegevens onderbouwde, mening van appellant en zijn masseur met betrekking tot appellants gezondheidstoestand kan de Raad niet dat gewicht toekennen dat zij daaraan gehecht willen zien.
5.2. Nu de Raad in hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd geen aanleiding ziet om de aangevallen uitspraak voor onjuist te houden, wordt beslist zoals hierna in rubriek III aangegeven.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2009.
(get.) A.T. de Kwaasteniet.
(get.) A.C. Palmboom.
JL