ECLI:NL:CRVB:2009:BH5244

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-4941 WAZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAZ-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant, voormalig zelfstandig aannemer en uitvoerder van voegwerken, vroeg op 5 januari 2006 een WAZ-uitkering aan wegens arbeidsongeschiktheid sinds 17 februari 2004. Het UWV weigerde de uitkering per 15 februari 2005 toe te kennen omdat appellant minder dan 25% arbeidsongeschikt werd geacht. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond, vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen ervan in stand.

In hoger beroep betoogde appellant dat zijn beperkingen door het UWV waren onderschat en dat hij de drie aangeduide functies niet kon vervullen. Hij overlegde nieuwe medische informatie van een fysiotherapeute en rapporten van een neurochirurg en neuroloog. Het UWV reageerde met een rapport van een bezwaarverzekeringsarts.

De Raad onderschreef de eerdere medische en arbeidskundige beoordeling van het UWV en vond geen aanwijzingen dat appellant ernstiger beperkt was dan aangenomen. De nieuwe medische informatie leidde niet tot een ander oordeel. De Raad bevestigde daarom het besluit van de rechtbank en verwierp het hoger beroep, zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit tot weigering van de WAZ-uitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

07/4941 WAZ
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 19 juli 2007, 06/1428
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 6 maart 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. K.B. Brouwer-Porte, advocaat te Assen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2009. Appellant en zijn gemachtigde zijn niet verschenen en hebben de Raad daarvan tevoren op de hoogte gesteld. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.R. Bos.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank hieromtrent met juistheid in de aangevallen uitspraak heeft overwogen. Hier volstaat de Raad met het volgende.
1.2. Appellant is werkzaam geweest als zelfstandig aannemer en uitvoerder van voegwerken. Hij heeft op 5 januari 2006 een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) aangevraagd en daarbij aangegeven dat hij sinds 17 februari 2004 arbeidsongeschikt is.
1.3. Bij besluit van 9 mei 2006 heeft het Uwv geweigerd appellant na afloop van de wettelijke wachttijd van 52 weken per 15 februari 2005 een WAZ-uitkering toe te kennen, omdat hij voor minder dan 25% arbeidsongeschikt in de zin van de WAZ moet worden geacht. Bij besluit van 10 november 2006 zijn de bezwaren van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard. Aan de weigering van de uitkering ligt ten grondslag dat appellant in staat wordt geacht om met zijn beperkingen in voor hem geschikte gangbare functies een zodanig inkomen te verwerven, dat zijn mate van arbeidsongeschiktheid minder bedraagt dan 25%.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 10 november 2006 gegrond verklaard, het besluit vernietigd, maar tevens beslist dat de rechtsgevolgen van het besluit geheel in stand blijven, met bepalingen omtrent vergoeding van proceskosten en griffierecht. De rechtbank kan zich blijkens de overwegingen van de aangevallen uitspraak verenigen met de medische en de arbeidskundige grondslag van het besluit, maar is van oordeel dat het besluit pas in de beroepsfase van een voldoende medische en arbeidskundige motivering is voorzien.
3.1. Het hoger beroep van appellant richt zich tegen de beslissing van de rechtbank om de rechtsgevolgen van het besluit tot weigering hem een WAZ-uitkering toe te kennen, geheel in stand te laten. Appellant is van mening dat zijn arbeidsbeperkingen door het Uwv zijn onderschat en dat hij niet in staat is de drie geduide functies te vervullen. Appellant heeft grotendeels de gronden herhaald die hij in de beroepsfase heeft aangevoerd. In hoger beroep heeft hij ter onderbouwing hiervan een brief d.d. 18 september 2007 van zijn fysiotherapeute overgelegd. Voorts heeft hij in een brief van 3 januari 2008 verslag gedaan van zijn recente bezoeken aan een neurochirurg en een neuroloog.
3.2. Het Uwv heeft via het overleggen van een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts K.J. van Haeringen gereageerd op de informatie van de fysiotherapeute.
4.1. Ten aanzien van de medische beoordeling door het Uwv onderschrijft de Raad hetgeen door de rechtbank in de aangevallen uitspraak hieromtrent is overwogen. De Raad ziet evenals de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv de beperkingen van appellant heeft onderschat. Ook in de in hoger beroep overgelegde informatiebrief van de fysiotherapeute van appellant ziet de Raad geen reden om de geformuleerde beperkingen voor appellant te licht te achten. Met de in die brief aangegeven rug- en heupklachten is blijkens de diverse verzekeringsgeneeskundige rapporten rekening gehouden en met de bezwaarverzekeringsarts ziet ook de Raad geen grond om aan te nemen, dat de gestelde handklachten reeds op de in dit geding relevante datum, 15 februari 2005, tot beperkingen van de arbeidsmogelijkheden van appellant hadden moeten leiden. De door appellant aangegeven contacten met zijn neurochirurg en neuroloog kunnen evenmin leiden tot de noodzaak meer beperkingen aan te nemen, nu uit die informatie niet volgt dat appellant ernstiger beperkt moet worden geacht op laatstgenoemde datum dan door het Uwv is aangenomen.
4.2. Uitgaande van de in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 13 februari 2007 opgenomen beperkingen, kan de Raad zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en de motivering daarvan, dat er geen reden is om aan te nemen dat appellant de drie geduide functies niet kan uitoefenen. Aangezien namens appellant in hoger beroep geen nieuwe argumenten naar voren zijn gebracht, concludeert de Raad dat het besluit van 10 november 2006 ook in arbeidskundige zin voldoende is onderbouwd.
5. Het vorenoverwogene leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.
6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C. Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op
6 maart 2009.
(get.) A.T. Kwaasteniet.
(get.) A.C. Palmboom.
JL