AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bestuursrechtelijke toetsing afwijzing verzoek tot toekenning WAO-uitkering na eerdere beslissing
Appellant had een WAO-uitkering geweigerd gekregen omdat hij reeds volledig arbeidsongeschikt was op het moment van verzekering. Na een eerdere niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar tegen deze afwijzing, vroeg appellant het UWV om terug te komen op het besluit. Het UWV wees dit verzoek af wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.
De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen deze afwijzing niet-ontvankelijk, omdat appellant niet duidelijk had gemaakt dat hij terugkomst van het eerdere besluit vroeg. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat het bezwaar wel ontvankelijk was en dat het besluit van het UWV karakter had van een besluit waartegen bezwaar mogelijk is.
De Raad stelt vast dat het eerdere besluit van afwijzing van de WAO-uitkering onherroepelijk is geworden, omdat tegen de niet-ontvankelijkverklaring geen rechtsmiddel is aangewend. De toezegging van een medewerker van het UWV over een mogelijke nabetaling kan niet worden gezien als een nieuw feit of gewijzigde omstandigheid.
Daarom is het beroep tegen het besluit om niet terug te komen op het eerdere besluit ongegrond. De Raad veroordeelt het UWV tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van appellant.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om niet terug te komen op het eerdere besluit tot weigering van een WAO-uitkering wordt ongegrond verklaard.
Uitspraak
08/2818 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) van 9 april 2008, 08/880 en 08/881 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 25 februari 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld en zijn stukken ingezonden.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en stukken ingezonden.
De Raad heeft besloten de zaak versneld te behandelen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2009. Appellant is verschenen met bijstand van mr. A.E.L.Th. Balkema, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Sowka.
II. OVERWEGINGEN
1. De feiten waarvan de Raad uitgaat bij zijn oordeelsvorming.
1.1. Aan appellant is met ingang van 21 augustus 1992 een uitkering toegekend op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering, die is omgezet in een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ), is op verzoek van appellant met ingang van 1 april 2001 niet voortgezet.
1.2. Appellant is per 1 augustus 2000 als consultant in loondienst getreden bij [naam werkgever]. (hierna: [naam werkgever]). Op 20 februari 2001 is hij voor zijn werk bij [naam werkgever] uitgevallen wegens moeheid, dispnoe, pijn en gewichtsverlies. Met ingang van 19 februari 2002 is hem een uitkering ingevolge de WAZ toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 24 november 2004 heeft het Uwv geweigerd appellant, in aansluiting op de zogenoemde wachttijd, een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen op de grond dat appellant op 1 augustus 2000, de dag dat hij verzekerd werd ingevolge die wet, reeds geheel arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 november 2004 is bij besluit van 14 oktober 2005 niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Tegen het besluit van 14 oktober 2005 is geen rechtsmiddel aangewend.
1.3. Appellant heeft bij brief van 5 november 2007 door zijn toenmalige raadsman mr. S.C.M.W. Geuljans, aan de manager Claim AG van het Uwv laten meedelen dat na de niet-ontvankelijk verklaring van appellants bezwaar tegen het besluit van 24 november 2004 die manager heeft toegezegd dat een uitkering ingevolge de WAO zou worden toegekend. Bij beslissing van 8 november 2007 heeft het Uwv appellant meegedeeld de brief van 5 november 2007 te beschouwen als een verzoek om terug te komen van het besluit van 24 november 2004, welk verzoek wordt afgewezen. Volgens het Uwv zijn er geen nieuwe feiten en omstandigheden gebleken die ertoe leiden dat het besluit van 24 november 2004 onjuist is.
1.4. Namens appellant is bezwaar gemaakt tegen de beslissing van 8 november 2007. Daarbij is gesteld dat de WAO-zaak al geruime tijd bij het Uwv in behandeling is en dat daaruit blijkt dat er wel nieuwe feiten en omstandigheden zijn. Appellant heeft daarbij voorts gewezen op de toezegging van de manager Claim AG. In een aanvullend bezwaarschrift van 13 december 2007 is vermeld dat appellant een uitspraak van het Uwv wil omtrent zijn rechten op een WAO-uitkering. Bij brief van 14 december 2007 heeft de manager Claim AG appellant bevestigd dat hij appellant heeft toegezegd dat een nabetaling aan WAO-uitkering zou worden gedaan, maar dat inmiddels op gevalsniveau is geoordeeld dat daarvoor geen wettelijke basis bestaat. Er bestaat mogelijk wel een recht op schadevergoeding in verband met de toezegging. Dit laatste wordt onderzocht, aldus de manager Claim AG.
1.5. Bij besluit van 11 februari 2008 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen de beslissing van 8 november 2007 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat de toezegging geen nieuw feit of omstandigheid is die maakt dat het besluit van 24 november 2004 niet op goede gronden is genomen, omdat dit geen omstandigheid betreft die kan worden gerelateerd aan 18 februari 2002, de datum die met betrekking tot het besluit 24 november 2004 in aanmerking genomen moet worden.
2. Tegen het besluit van 11 februari 2008 is namens appellant beroep ingesteld. Tevens is verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
3. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak (LJN BD0888) het beroep onder toepassing van artikel 8:86 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gegrond verklaard en onder vernietiging van het bestreden besluit het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard, beslissingen gegeven over de proceskosten en het griffierecht en het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen afgewezen. Anders dan het Uwv was de rechtbank van oordeel dat de brief van 5 november 2007 niet kan worden gezien als een verzoek tot herziening van het besluit van 24 november 2004. Het gaat volgens de rechtbank om een verzoek om in navolging van de gedane toezegging van de manager Claim AG van het Uwv, over te gaan tot betaling van de WAO-uitkering. In de brief van 5 november 2007 vraagt appellant naar het oordeel van de rechtbank voorts het Uwv op grond van een gedane toezegging binnen 7 dagen aan hem een WAO-uitkering toe te kennen. De beslissing van 8 november 2007 is volgens de rechtbank dan ook geen besluit in de zin van de Awb. Bovendien heeft appellant tijdens de hoorzitting expliciet gesteld dat hij met de brief van 5 november 2007 niet heeft beoogd te vragen of het Uwv terugkomt van het besluit van 24 november 2004, welke stelling appellant ter zitting van de rechtbank heeft bevestigd.
4. Namens appellant heeft zijn huidige raadsman in hoger beroep vernietiging van de aangevallen uitspraak gevraagd. Appellant is van oordeel dat het bezwaar tegen de beslissing van 8 november 2007 wel ontvankelijk was. Daartoe heeft hij gesteld dat hij op 5 november 2007 een verzoek heeft gedaan tot afgifte van een besluit. Hij heeft gevraagd om uitbetaling van een WAO-uitkering en dit impliceert een toekenning van die uitkering. In de optiek van het Uwv hield dit verzoek in een verzoek om terug te komen van de eerdere besluitvorming inzake het recht op WAO, voor zover die besluitvorming onherroepelijk zou zijn. Volgens appellant heeft het Uwv bij zijn beslissing op dit verzoek voorts een onjuiste maatstaf aangelegd.
5. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.
5.1. De Raad overweegt, de gedingstukken overziende die van de zijde van appellant zijn geproduceerd, dat hetgeen appellant van het Uwv precies verlangde niet steeds duidelijk is verwoord in zijn brieven aan het Uwv. Kennelijk wenste appellant hoe dan ook een bedrag in verband met een uitkering ingevolge de WAO te ontvangen. Met dit doel voor ogen is appellant met het Uwv in overleg getreden. Of dit doel bereikt zou moeten worden door het alsnog toekennen van zo’n uitkering dan wel door het zich laten uitbetalen van een bepaald bedrag wegens een bestaand recht op een WAO-uitkering blijkt niet uit de stukken. De kennelijk bij appellant bestaande onduidelijkheid werd niet minder toen een medewerker van het Uwv, die met de gevalsbehandeling was belast, zich in de maanden juli-oktober 2007 op het standpunt stelde dat appellant een uitkering was geweigerd bij het besluit van 24 november 2004, terwijl de manager Claim AG toen meende dat appellant juist recht had op nabetaling van zo’n uitkering.
5.2. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat appellant op de hoorzitting van 6 februari 2008 heeft gezegd dat hij niet heeft beoogd te vragen dat teruggekomen werd van het besluit van 24 november 2004. De Raad constateert echter dat hij zijn bezwaar niet heeft ingetrokken tegen de beslissing van 8 november 2007, welke beslissing uitdrukkelijk beperkt was tot de beslissing niet terug te komen van het besluit van 24 november 2004. Voorts is namens hem na de hoorzitting bij brief van 7 februari 2008 aan de voorzitter van de bezwarencommissie onder meer meegedeeld dat hij heeft gevraagd het besluit van 24 november 2004 te herzien. De mededeling van appellant ter zitting van de rechtbank dat appellant op grond van toezeggingen van het Uwv een uitkering met terugwerkende kracht wenste te krijgen en dat het Uwv in de heroverweging gehouden was om alsnog een uitkering toe te kennen is niet van ondubbelzinnigheid ontbloot, doch in zijn hoger beroepschrift heeft appellant die mededelingen gecorrigeerd door te betogen dat de rechtbank het bezwaar tegen het besluit van 8 november 2007 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.
5.3. De Raad is dan ook met appellant van oordeel dat het Uwv de brief van appellant van 5 november 2007 niet heeft miskend door het daarin gedane verzoek om betaling van de WAO-uitkering, nu het Uwv van oordeel was dat geen recht op die uitkering bestond, ook op te vatten als een verzoek om terug te komen van het besluit van 24 november 2004. Zich beperkend tot appellants verzoek om terug te komen van het besluit van 24 november 2004 overweegt de Raad dat aan de beslissing van het Uwv van 8 november 2007 het besluitkarakter niet kan worden ontzegd. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt.
5.4. Partijen hebben ter zitting verklaard van de Raad een eindoordeel te verlangen omtrent hetgeen hen verdeeld houdt. De Raad zal de zaak daarom niet terugwijzen naar de rechtbank, doch zelf op het beroep tegen het bestreden besluit beslissen.
5.5. De Raad beantwoordt de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden bevestigend. Hij overweegt in de eerste plaats dat het besluit van 24 november 2004, waarbij appellant een uitkering ingevolge de WAO is geweigerd omdat hij op 1 augustus 2000 volledig arbeidsongeschikt was, in rechte onaantastbaar is geworden, nu tegen het besluit van 14 oktober 2005 tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het besluit 24 november 2004 geen rechtsmiddel is aangewend. De Raad gaat voorbij aan de eerst in een aanvullend hoger beroepschrift opgeworpen stelling van appellant dat niet op zijn tijdig per aangetekend schrijven ingestuurde bezwaarschrift tegen het besluit van 24 november 2004 is beslist, reeds omdat – wat er van die stelling ook zij – het besluit van 14 oktober 2005 evenzeer in rechte onaantastbaar is geworden.
5.6. In artikel 4:6 vanPro de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 vanPro de Awb, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit. De toezegging van de manager Claim AG kan niet worden beschouwd als een nieuw gebleken feit of een veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:6 vanPro de Awb. Die toezegging behelsde immers dat appellant een nabetaling zou worden gedaan op grond van een WAO-recht waarvan de manager Claim AG het bestaan veronderstelde, terwijl dit recht niet was toegekend. Dit betekent dat het bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 november 2007 bij het bestreden besluit terecht ongegrond is verklaard. Het beroep tegen het bestreden besluit zal ongegrond worden verklaard.
6. Er is aanleiding het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep te veroordelen. De kosten bedragen € 644,-- voor kosten van rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 11 februari 2008 ongegrond;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 644,-- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht van € 107,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en J. Riphagen en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2009.