ECLI:NL:CRVB:2009:BH6096
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- R.H.M. Roelofs
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand na verkoop woning wegens overschrijding vermogensgrens
Appellante ontving sinds november 2002 een bijstandsuitkering. Na verkoop van haar voormalige woning in januari 2004 ontving zij een bedrag dat haar vermogen boven de vrijlatingsgrens bracht. Het College trok daarop haar bijstand in en vorderde kosten terug. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand.
In hoger beroep oordeelt de Raad dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij op het moment van ontvangst van de verkoopopbrengst een schuld had aan haar broer of ouders. De schuldbekentenissen waren onvoldoende onderbouwd en de terugbetalingsverplichtingen niet nagekomen of onzeker. Hierdoor was het College bevoegd tot intrekking van de bijstand vanaf 16 januari 2004.
De Raad stelt echter vast dat vanaf 20 januari 2004 appellante niet meer beschikte over vermogen boven de grens, en dat het College niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij nog over de overgemaakte bedragen kon beschikken. Daarom kan de intrekking niet over de gehele periode standhouden. De terugvordering moet als één geheel worden beschouwd en het College moet een nieuw besluit op bezwaar nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Verder wijst de Raad op de mogelijkheid voor het College om de bijstand tijdelijk te verlagen of als geldlening te verstrekken vanwege onverplicht overgehevelde bedragen. De terugvorderingsgrondslag ligt in artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB en niet onder f. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Het College wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt vernietigd voor de periode 21 januari 2004 tot en met 31 juli 2005 en het College moet een nieuw besluit nemen.