ECLI:NL:CRVB:2009:BH6110
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Intrekking WW-uitkering grensarbeider wegens toepasselijke sociale zekerheidswetgeving
Appellant was werkzaam als metselaar bij een Nederlands bedrijf en later bij een Britse werkgever met werkzaamheden in Nederland en Duitsland. Na beëindiging van zijn dienstverband vroeg hij een WW-uitkering aan. Het UWV trok deze uitkering in, stellende dat de Duitse wetgeving van toepassing was omdat appellant laatstelijk in Duitsland werkte en dat hij slechts gedeeltelijk werkloos was geworden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar appellant ging in hoger beroep. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant gedurende ongeveer de helft van zijn werktijd in Nederland werkzaam was, waardoor sprake was van werkzaamheden in twee lidstaten. Volgens artikel 14, tweede lid, sub b, onder i van Verordening 1408/71 was daarom de Nederlandse wetgeving van toepassing.
De Raad stelde vast dat het UWV onzorgvuldig had gehandeld bij de subsidiaire weigeringsgrond en dat het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak niet in stand konden blijven. De Raad vernietigde het besluit en bepaalde dat het UWV een nieuwe beslissing moet nemen, met inachtneming van deze overwegingen. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WW-uitkering wordt vernietigd en het UWV dient een nieuwe beslissing te nemen.