ECLI:NL:CRVB:2009:BH6119
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens ontbreken medische beperkingen bij ME/CVS
Appellante ontvangt sinds 1988 een volledige WAO-uitkering vanwege vermoeidheidsklachten. Na een herbeoordeling in 2004 stelde het UWV vast dat zij geschikt was voor haar eigen werk omdat er geen medisch objectiveerbare beperkingen waren. De rechtbank vernietigde dit besluit in 2006 wegens onzorgvuldig medisch onderzoek.
Op basis van nieuw onderzoek door verzekeringsarts, bezwaarverzekeringsarts en arbeidsdeskundige concludeerde het UWV opnieuw dat appellante geschikt was voor haar werk, waarna het bezwaar ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat het medisch oordeel van de huisarts onvoldoende was om beperkingen aan te nemen.
In hoger beroep betoogde appellante dat het UWV onvoldoende rekening hield met haar persoonlijke klachten en dat het medisch onderzoek niet objectief was. De Raad oordeelde echter dat het medisch onderzoek zorgvuldig en objectief was uitgevoerd, dat de diagnose ME/CVS niet ter discussie stond, maar dat het bestaan van medische beperkingen niet aannemelijk was. De Raad bevestigde het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering en wees de proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd wegens het ontbreken van medische beperkingen.