ECLI:NL:CRVB:2009:BH6130
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WW-uitkering wegens toepasselijkheid Duitse wetgeving op grensarbeiders
Appellanten waren werknemers van een metsel- en voegbedrijf (Ltd) en werkten tijdens hun dienstverband uitsluitend in Duitsland, terwijl zij in Nederland woonden. Na hun ontslag in januari/februari 2004 vroegen zij een WW-uitkering aan bij het Uwv, die aanvankelijk werd toegekend. Later startte het Uwv een onderzoek en ontdekte dat appellanten in de periode tussen ontslag en herindiensttreding in april 2004 gedeeltelijk werkten in Duitsland en dat de Duitse wetgeving op hen van toepassing was.
Het Uwv trok daarop de WW-uitkeringen in en weigerde nieuwe uitkeringen toe te kennen, omdat Nederland niet bevoegd was volgens Verordening (EEG) nr. 1408/71. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellanten ongegrond, waarbij werd vastgesteld dat zij als grensarbeiders gedeeltelijk werkloos waren en dat de Duitse wetgeving gold.
Appellanten betoogden dat de Nederlandse wetgeving van toepassing moest zijn, onder meer omdat zij ook in Nederland werkten en dat de meldingen bij het Duitse arbeidsbureau niet de werkelijke situatie weerspiegelden. De Raad oordeelde echter dat appellanten gedurende het dienstverband uitsluitend in Duitsland werkten en dat zij tijdens de periode in geding gedeeltelijk werkten in Duitsland, waardoor sprake was van gedeeltelijke werkloosheid onder Duitse wetgeving.
Verder verwierp de Raad het beroep op het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel, omdat appellanten niet hadden gemeld dat zij regelmatig in Duitsland werkten en gebruik maakten van voorzieningen van de Ltd. De intrekking van de uitkering was daarom niet onrechtmatig. De Raad bevestigde de aangevallen uitspraken en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De intrekking van de WW-uitkering is rechtmatig omdat appellanten onder Duitse wetgeving vielen en Nederland niet bevoegd was om uitkering toe te kennen.