ECLI:NL:CRVB:2009:BH6133
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Intrekking WW-uitkering grensarbeider wegens toepasselijkheid Nederlandse wetgeving
Appellant was werkzaam bij een Engelse werkgever met bouwprojecten in Duitsland en Nederland. Na ontslag op 12 januari 2004 vroeg hij een WW-uitkering aan, die aanvankelijk werd toegekend maar later door het UWV werd ingetrokken op grond van toepasselijkheid van de Duitse wetgeving.
Het geschil betrof de vraag welke sociale verzekeringswetgeving van toepassing was, waarbij appellant stelde dat hij in twee lidstaten werkte en de Nederlandse wetgeving van toepassing was. De Raad stelde vast dat appellant ook daadwerkelijk werkzaamheden in Nederland verrichtte en dat later tussen Nederlandse en Duitse instanties was overeengekomen dat vanaf 1 april 2004 de Nederlandse wetgeving gold.
De Raad oordeelde dat op appellant ten tijde van zijn werkloosheid de Nederlandse wetgeving van toepassing was en dat het besluit van het UWV daarom niet in stand kan blijven. Ook was de subsidiaire weigeringsgrond onvoldoende zorgvuldig onderzocht. Het hoger beroep werd gegrond verklaard en het UWV werd opgedragen een nieuwe beslissing te nemen.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de WW-uitkering wordt vernietigd.