ECLI:NL:CRVB:2009:BH6481
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.C.M. van Laar
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit intrekking WAO- en WAZ-uitkering met instandhouding rechtsgevolgen
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV tot intrekking van zijn WAO- en WAZ-uitkering per 22 juli 2003, omdat zijn arbeidsongeschiktheid was vastgesteld op minder dan respectievelijk 15% en 25%. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de medische beperkingen voldoende waren meegewogen en dat appellant in staat was de geselecteerde functies te vervullen.
In hoger beroep voerde appellant aan dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn concentratieproblemen en bracht hij aanvullende medische verklaringen in. De huisarts van appellant verklaarde dat appellant ernstiger beperkt was dan door de verzekeringsarts aangenomen.
De Raad stelde vast dat de medische beoordeling van 7 januari 2003 toereikend was en dat de medische stukken van appellant geen aanleiding gaven tot bijstelling. De bezwaarverzekeringsarts en bezwaararbeidsdeskundige hadden hun rapporten voldoende gemotiveerd, maar omdat de arbeidskundige motivering pas in hoger beroep was gegeven, vernietigde de Raad het bestreden besluit. De rechtsgevolgen van het besluit blijven echter in stand.
De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant en bepaalde dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO- en WAZ-uitkering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.