ECLI:NL:CRVB:2009:BH6503

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-4454 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.C.M. van Laar
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen brief beëindiging Ziektewetuitkering

Appellante maakte bezwaar tegen een brief van het UWV van 14 augustus 2006 waarin werd medegedeeld dat haar Ziektewetuitkering werd beëindigd. De brief bevatte een bezwaarclausule, maar noemde geen concrete datum van beëindiging. Het UWV verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk omdat de brief geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) was.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bestreden besluit van 6 oktober 2006 ongegrond. In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt dat de brief wel een besluit was en dat haar daardoor een rechtsgang was ontnomen. De Raad stelde vast dat de brief geen besluit was, mede omdat er geen rechtsgevolg aan verbonden was en de brief berustte op een kennelijke misslag.

De Raad oordeelde verder dat appellante niet werd belemmerd om beroep in te stellen tegen het eerdere besluit van 4 juli 2006, dat zij ook had ontvangen. Daarom werd het bezwaar tegen de brief terecht niet-ontvankelijk verklaard en werd de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het bezwaar tegen de brief van 14 augustus 2006 werd terecht niet-ontvankelijk verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitspraak

07/4454 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 6 juni 2007, 06/4573 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 18 maart 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. M.E. González Pérez, advocaat te Helmond, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2009. Appellante is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.H.J.A. Olthof.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij brief van 31 juli 2006 verzoekt de gemachtigde van appellante het Uwv om haar het dossier van appellante te doen toekomen zodat zij appellante verder kan adviseren. De reden van dit verzoek is dat appellante sinds januari 2006 geen Ziektewetuitkering meer heeft ontvangen, noch salaris van haar werkgever.
2. Bij brief van 14 augustus 2006 heeft het Uwv het volgende aan appellante meegedeeld: “Bij ons is bekend dat u sinds nog niet bekend weer beter bent. Daarom beëindigen wij uw Ziektewetuitkering met ingang van die datum”.
Bij besluit van 6 oktober 2006 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het tegen voormelde brief door appellante gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft het Uwv overwogen dat de brief van 14 augustus 2006 geen besluit is, omdat deze niet is gericht op enig rechtsgevolg nu reeds op 28 maart 2006 een beslissing over de Ziektewetuitkering van appellante is genomen en bij besluit van 4 juli 2006 het daartegen gemaakte bezwaar van appellante ongegrond is verklaard.
3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit van 6 oktober 2006 ongegrond verklaard.
4. In hoger beroep heeft appellante haar opvatting staande gehouden dat de brief van 14 augustus 2006 een besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waartegen zij tijdig (binnen 6 weken) bezwaar heeft aangetekend. Voorts stelt appellante zich op het standpunt dat haar een rechtsgang is ontnomen nu zij geen beroep heeft kunnen indienen tegen de beslissing op bezwaar.
5.1. De Raad overweegt als volgt.
5.2. De Raad stelt vast dat de brief van 14 augustus 2006 geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb. De brief is, ondanks het feit dat daarin een bezwaarclausule is opgenomen, niet gericht op enig rechtsgevolg, reeds omdat daarin geen concrete datum van beëindiging wordt genoemd. De Raad is van oordeel dat de brief, gelet op de tekst en hetgeen de gemachtigde van het Uwv op de zitting heeft verklaard, berust op een kennelijke misslag.
5.3. De Raad kan appellante niet volgen in haar stelling dat haar een rechtsgang is ontnomen nu zij geen beroep heeft kunnen indienen tegen de beslissing op bezwaar. De Raad is niet gebleken van omstandigheden die appellante in de weg hebben gestaan om tegen het eerder genomen besluit op bezwaar, gedateerd 4 juli 2006, beroep in te stellen bij de rechtbank. De Raad wijst er daarbij op dat door appellante niet wordt betwist dat zij het besluit van 4 juli 2006 heeft ontvangen.
5.4. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het Uwv het bezwaar van appellante tegen de brief van 14 augustus 2006 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.C.M. van Laar. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2009.
(get.) M.C.M. van Laar.
(get.) E.M. de Bree.
GdJ