ECLI:NL:CRVB:2009:BH6538

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-2002 WAZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAZ-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant, een voormalig zelfstandig kermisexploitant, verzocht het UWV om een WAZ-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid vanaf maart 2004. Het UWV wees dit verzoek af omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 25% bedroeg. De rechtbank Roermond vernietigde een eerdere beslissing van het UWV en bepaalde dat een nieuw besluit moest worden genomen, waarbij werd vastgesteld dat appellant gemiddeld 45 uur per week werkte, een standpunt dat appellant niet voldoende betwistte.

In een nieuw besluit handhaafde het UWV de weigering van de uitkering op grond van geschiktheid voor werkzaamheden binnen geselecteerde functies en een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 25%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, met verwijzing naar de onherroepelijke vaststelling van de maatmanomvang in de eerdere uitspraak.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak en overweegt dat de vaststelling van de maatmanomvang niet opnieuw aan de orde kan komen omdat appellant geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de eerdere uitspraak. Er zijn geen nieuwe feiten die een heroverweging rechtvaardigen. De Raad wijst het beroep af en bevestigt de weigering van de WAZ-uitkering.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAZ-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

07/2002 WAZ
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 23 februari 2007, 06/1914 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 18 maart 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2009, waar appellant niet is verschenen en het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door W.J.M.H. Lagerwaard.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant was laatstelijk werkzaam als zelfstandig kermisexploitant. Op 18 november 2004 heeft hij het Uwv verzocht hem een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) toe te kennen. Daarbij heeft hij aangegeven sedert 23 maart 2004 arbeidsongeschikt te zijn.
1.2. Bij besluit van 21 april 2005 heeft het Uwv appellant ingaande 22 maart 2005 een WAZ-uitkering geweigerd op de grond dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid op en na die datum minder is dan 25%. Bij besluit van 19 september 2005 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 april 2005 ongegrond verklaard.
1.3. De rechtbank Roermond heeft bij uitspraak van 31 mei 2006, 05/1691, het door appellant tegen het besluit van 19 september 2005 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. De rechtbank heeft bij die uitspraak overwogen geen aanknopingspunten te zien voor het oordeel dat het Uwv van onjuiste medische beperkingen is uitgegaan. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv terecht en op goede gronden ervan is uitgegaan dat appellant in zijn functie van zelfstandig kermisexploitant gemiddeld gedurende 45 uur per week werkte en dat appellant zijn stelling dat hij gemiddeld slechts 30 uur per week werkte niet voldoende heeft weten te onderbouwen. De rechtbank was van oordeel dat het besluit van 19 september 2005 een voldoende draagkrachtige motivering ontbeert ten aanzien van de geschiktheid in medisch opzicht van één van de bij de schatting gebruikte functies. Partijen hebben in deze uitspraak berust.
2. Bij besluit van 29 september 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 21 april 2005 wederom ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat appellant op de in geding zijnde datum weliswaar medische beperkingen ondervond bij het verrichten van arbeid, maar dat hij met inachtneming van die beperkingen geschikt was voor werkzaamheden verbonden aan (een voldoende aantal van) de geselecteerde functies. Vergelijking van de mediane loonwaarde van deze functies met het voor appellant geldende (in een werkweek van gemiddeld 45 uren verdiende) maatmaninkomen resulteert in een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 25%.
3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat de door appellant aangevoerde grief ten aanzien van de vaststelling van de maatmanomvang in de rechtbankuitspraak van 31 mei 2006 uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is verworpen en dat de rechtbank in die uitspraak de vraag of het Uwv de maatman juist heeft vastgesteld bevestigend heeft beantwoord. Nu tegen die uitspraak geen hoger beroep is ingesteld dient de rechtbank van de juistheid van de maatmanvaststelling uit te gaan.
4. In hoger beroep heeft appellant zijn stelling herhaald dat het gemiddeld door hem gewerkte aantal uren per week - genomen over een heel jaar - 30 bedraagt en dus geen 45.
5.1. De Raad overweegt dat de rechtbank terecht heeft vastgesteld dat in de uitspraak van 31 mei 2006 de beroepsgronden van appellant met betrekking tot de urenomvang van de maatman uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen. Dit betekent dat, nu appellant tegen deze uitspraak geen hoger beroep heeft ingesteld, volgens vaste rechtspraak van de Raad – verwezen wordt naar bijvoorbeeld de uitspraak van 1 maart 2005, LJN AT0711 – van de juistheid van die urenomvang moet worden uitgegaan en dat die beroepsgronden in de tweede procedure niet opnieuw aan de orde kunnen komen.
Dit zou uitzondering kunnen lijden in het geval dat er sinds de uitspraak van 31 mei 2006 nieuwe gegevens naar voren zijn gekomen die een ander licht werpen op de omvang van de maatman zoals die in die uitspraak is beoordeeld. Dit geval doet zich hier echter niet voor. De door appellant zonder nadere onderbouwing in het beroepschrift van 3 november 2006 gemaakte berekening kan niet als zodanig worden aangemerkt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5.2. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.M. van de Kerkhof als voorzitter en H. Bolt en H. Bedee als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van I.R.A. van Raaij als griffier, uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2009.
(get.) C.P.M. van de Kerkhof.
(get.) I.R.A. van Raaij.
GdJ